Tag: tvl

  • Hoge Raad gaat mee in ‘Share the Pain’ gedachte

    Hoge Raad gaat mee in ‘Share the Pain’ gedachte

    Hoge Raad gaat mee in ‘Share the Pain’ gedachte

    24 december 2021, door Dirk van den Berg

     

    Op 24 december 2021 heeft de Hoge Raad de door de kantonrechter te Roermond gestelde prejudiciële vragen over de gevolgen van de coronamaatregelen voor huurovereenkomsten van en horeca- en winkelbedrijfsruimte kort en bondig (in slechts 7 pagina’s!) beantwoord.

    Geen gebrek, wel onvoorziene omstandigheden
    De Hoge Raad oordeelt dat sluiting van horeca- en andere bedrijfsruimten in het belang van de volksgezondheid de exploitatiemogelijkheden van 290-bedrijfsruimten beperkt, maar dat deze sluiting geen betrekking heeft op de verhuurde zaak. Ook volgt volgens de Hoge Raad niet uit de wetsgeschiedenis dat onvoorzienbare overheidsmaatregelen als de onderhavige, die de uitoefening van bedrijven beperken, als een gebrek moeten worden aangemerkt. Anders dan A-G Wissink komt de Hoge Raad tot zo het oordeel dat de coronamaatregelen geen gebrek opleveren in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW.

    Volgens de Hoge Raad is wel sprake van onvoorziene omstandigheden die bovendien niet voor rekening komen van de huurder. Een huurder die voor zijn omzet afhankelijk is van de komst van publiek, en als gevolg van de coronamaatregelen een gehuurde 290-bedrijfsruimte niet of slechts in geringe mate kan exploiteren, kan via de rechter op grond van een onvoorziene omstandigheid als bedoeld in artikel 6:258 BW vermindering van de huurprijs verkrijgen in geval van een vóór 15 maart 2020 gesloten huurovereenkomst.

    Verstoring van de waardeverhouding
    De grond voor aanpassing van de huurprijs is verstoring van de waardeverhouding tussen de wederzijdse prestaties, die in dit geval noch in de risicosfeer van de huurder, noch in die van de verhuurder valt, en daarom volgens de Hoge Raad het beste wordt ondervangen door het nadeel van de huurder – voor zover niet reeds gecompenseerd door de TVL – gelijk (50/50) te verdelen over de verhuurder en de huurder.

    Reparatie via vastelastenmethode
    Hoge Raad sluit voor de reparatie van dit nadeel aan bij de door het Gerechtshof Amsterdam in het arrest van 14 september 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:2728) gehanteerde ‘vastelastenmethode’, die ook door A-G Wissink werd geadviseerd. De Hoge Raad overweegt daarbij dat het voor de hand ligt om de huurprijsvermindering te berekenen per termijn waarover de huurprijs is verschuldigd, in veel gevallen dus per maand. Vervolgens geeft de Hoge Raad de vier stappen van deze methode aan:

    1. De overeengekomen huurprijs wordt uitgedrukt in een percentage van het totaalbedrag aan vaste lasten;
    2. Het met dat percentage overeenstemmende deel van de TVL waarop de huurder aanspraak kan maken, wordt afgetrokken van het bedrag van de overeengekomen huurprijs;
    3. De procentuele omzetvermindering wordt vastgesteld door de omzet in de periode waarover de huurprijsvermindering berekend wordt (hierna: de lagere omzet) te vergelijken met de omzet in een vergelijkbaar tijdvak voorafgaand aan de coronapandemie (hierna: de referentieomzet) volgens de formule: 100% – (100% x (de lagere omzet : de referentieomzet));
    4. Het met de verstoring van de waardeverhouding samenhangende nadeel wordt gelijk verdeeld over de verhuurder en de huurder (ieder 50% van het nadeel), tenzij uit de in art. 6:258 lid 1 BW bedoelde redelijkheid en billijkheid een andere verdeling volgt.

    Aldus kan het bedrag van de huurkorting worden berekend volgens de formule: (overeengekomen huurprijs – gedeelte van de TVL dat aan de huur wordt toegerekend) x percentage omzetvermindering x 50%.

    Handvatten en uitzonderingen
    Deze antwoorden van de Hoge Raad geven rechters die moeten oordelen over een coronageschil handvatten voor hun beslissing, maar kunnen partijen ook helpen om de huurprijs in onderling overleg aan de gewijzigde omstandigheden aan te passen. Er zijn echter – ook volgens de Hoge Raad – uitzonderingen mogelijk op de hierboven beschreven methode. De Hoge Raad overweegt letterlijk dat de redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat op grond van omstandigheden, bijvoorbeeld de hoedanigheid van een huurder of verhuurder of de financiële positie van een der partijen, wordt afgeweken van de 50/50-verdeling van het nadeel. Bij de beoordeling van deze bijzondere gevallen, denk aan een huurder die elders – of online – als gevolg van de coronamaatregelen veel betere omzetten heeft gemaakt of een verhuurder die nog harder is getroffen dan zijn huurder, kan het (veel langere) advies van A-G Wissink aan de Hoge Raad (55 pagina’s) mogelijk een steun zijn.

    Wie de hele uitspraak wil lezen kan deze vinden via deze link: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2021:1974.

    De veel uitgebreidere conclusie van A-G Wissink kan worden geraadpleegd via https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:PHR:2021:902.

  • Dirk van den Berg in Pompshop: Tamelijk Veel Lof

    Dirk van den Berg in Pompshop: Tamelijk Veel Lof

    Tamelijk Veel Lof

    14 juni 2021, door Dirk van den Berg

     

    In het verregende Pinksterweekend liet ik de gevolgen van een jaar coronabeperkingen op mij inwerken. Vooral de horeca heeft een zware tijd achter de rug. Direct daarachter komt de retailsector. Maar geldt dat ook voor de tankstationbranche?

    Ik zal eerst een uitstapje maken naar het toepasselijke huurrecht van bedrijfsruimte. Er is vanaf mei 2020 een groot aantal vonnissen gewezen in geschillen tussen in problemen verkerende huurders verhuurders van bedrijfsruimte, vooral horeca en winkels. Veel rechters hebben huurders die vanwege de coronacrisis maar zeer gedeeltelijk (of helemaal geen) gebruik konden maken van de door hen gehuurde bedrijfsruimte – meestal op grond van “onvoorziene omstandigheden” maar soms ook omdat het gehuurde “een gebrek” zou hebben – een korting op de huurprijs gegeven.

    In de rechtspraak wordt het omzetverlies als gevolg van de coronamaatregelen gezien als “pijn” die tussen huurder en verhuurder moet worden gedeeld. Een vaak terugkomende formule hierbij is: percentage huurkorting = helft van percentage omzetverlies. Als een huurder aan de hand van zijn boekhouding kan aantonen dat hij meer dan 30% van zijn omzet is verloren, neemt de rechter vrij gemakkelijk aan dat deze terugval is veroorzaakt door de coronapandemie en de in verband daarmee geldende vrijheidsbeperkingen. Een omzetverlies van 50% leidt zo tot een huurkorting van 25%.

    Ondernemers in getroffen sectoren worden echter ook door de overheid gecompenseerd, onder andere via de zogenaamde TVL (Tegemoetkoming Vaste Lasten). In de rechtspraak zijn er (nog) geen vaste regels over de manier waarop de steunmaatregelen, waaronder de TVL, moeten verdisconteerd. Dat wordt misschien snel anders, want de kantonrechter te Roermond heeft de Hoge Raad om verduidelijking gevraagd (ECLI:NL:RBLIM:2021:2980). Die komt mogelijk nog dit jaar.

    Nu wordt in de meeste uitspraken de TVL geheel of gedeeltelijk bij de omzet opgeteld, zodat het omzetverlies daardoor wordt gedempt. Maar ook heeft een rechter recent beslist dat een huurder de TVL één op één aan zijn verhuurder moest laten toekomen: een horeca-ondernemer die nog maar 20% van zijn omzet over had, moest van de kantonrechter te Enschede over het eerste kwartaal van 2021 toch 94% van zijn huur betalen. (ECLI:NL:RBOVE:2021:1502).

    In het eerste kwartaal van 2021 dekte de TVL in theorie 85% van de vaste lasten. De Enschedese rechter redeneerde dat de ondernemer dus al voor 85% was gecompenseerd voor zijn doorlopende vaste lasten, zodat er van zijn 80% “pijn” nog slechts 15% te compenseren over was. Op de resterende 12% liet deze rechter de bovenstaande formule los, zodat er een huurkorting van 6% uit de bus kwam. Over het tweede kwartaal van dit jaar bedraagt het TVL-percentage 100, en zal deze rechter helemaal geen korting meer verlenen. Hij heeft er blijkbaar moeite mee de gevolgen van de coronacrisis op de vastgoedeigenaren af te wentelen.

    Ik gebruikte hierboven de woorden “in theorie”. De reden daarvoor is dat voor de berekening van de TVL voor restaurants de vaste lasten worden vastgesteld op 25% van hun omzet in dezelfde periode van 2019. Inclusief de TVL genoot deze ondernemer zodoende 37% van zijn omzet en kreeg daarvoor 6% huurkorting. Volgens de meer gebruikelijke methode zou die korting ongeveer 30% bedragen.

    Voor de tankstationbranche gaat de TVL-regeling uit van de fictie dat de vaste lasten gelijk zijn aan 15% van de omzet. Ik ben benieuwd hoe dat is berekend. Ik verwacht overigens niet dat veel tankstation-ondernemers in aanmerking komen voor TVL. Daarvoor is immers een omzetverlies van 30% of meer nodig. In 2020 werd volgens het CBS 11% minder diesel en ruim 14% minder benzine verkocht dan in 2019, maar omdat tegelijkertijd de brandstoprijzen zijn gestegen, zal er op de brandstoffen niet of nauwelijks omzetverlies zijn (wél verlies op de totale marge). En de shopverkopen? Volgens een bericht in Pompshop van eind vorig jaar hebben tankshops in 2020 “boven verwachting” gepresteerd met een omzetdaling van slechts 3,7 procent; een bijzondere prestatie, waarvoor ze veel lof verdienen. En blijkt hier niet uit dat tankstations ook volgens de consument essentiële winkels zijn?

    Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp. Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.

  • De zeven belangrijkste aandachtspunten bij een reorganisatie

    De zeven belangrijkste aandachtspunten bij een reorganisatie

    De zeven belangrijkste aandachtspunten bij een reorganisatie

    9 juni, door Elke ter Hart