Auteur: Dirk van den Berg

  • Laadpalensloop

    Laadpalensloop

    Artikel & presentatie Laadpalensloop 

    21 november 2024, door Dirk van den Berg

    Vorige maand verscheen er in De Telegraaf een artikel met de kop “Laadpalen langs snelwegen verdwijnen bij bosjes”. Dat bericht verbaasde mij en ik besloot op onderzoek uit te gaan.

    De strijd tussen Fastned en de oliemaatschappijen (met in hun kielzog de vereniging van private vergunninghouders) over de laadpalen bij tankstations zal niet onbekend voorkomen. Toen de Staat ruim vijftien jaar geleden de infrastructuur voor elektrisch rijden wilde (laten) uitrollen, gaven de oliemaatschappijen niet thuis. Dat heeft geleid tot de verloting van 245 vergunningen voor laadstations, zogenaamde “zelfstandige voorzieningen” op de verzorgingsplaatsen in 2012. Fastned sleepte bij deze verloting 201 vergunningen in de wacht. De business kwam langzaam op gang omdat er nog maar weinig elektrisch werd gereden. In 2020/2021 kwam er meer vraag naar elektriciteit langs de rijkswegen. De oliemaatschappijen werden toen wakker en plaatsten zelf laadpalen. Ze kregen daarvoor vergunningen als “aanvullende voorziening” op grond van de Wbr (Wet beheer rijkswaterstaatswerken).

    Fastned maakte standaard bezwaar tegen de vergunningen voor deze laadpalen, onder andere op grond van de verkeersveiligheid: elektrische rijders zouden zowel naar links als naar rechts worden verwezen voor de laadpalen en zouden daardoor gevaarlijke manoeuvres kunnen maken. Ik neem als voorbeeld een in maart 2021 aan Total verleende vergunning voor vier laadpalen op de verzorgingsplaats Vliedberg bij Goes. De minister van Infrastructuur en Waterstaat verklaarde de bezwaren in oktober 2021 ongegrond. Fastned ging in beroep bij de rechtbank Amsterdam. Dat beroep is in december 2023 (!) behandeld. De rechtbank heeft op 19 maart 2024 uitsprak gedaan, en deze is op 30 september jl. gepubliceerd op rechtspraak.nl (ECLI:NL:RBAMS:2024:1734). De rechtbank oordeelde dat het “zeer onwaarschijnlijk” is dat het toestaan van energielaadpunten bij het benzinestation van Total tot verkeersonveilige situaties leidt en wees het beroep af, evenals in zes andere zaken.

    Op 24 mei van dit jaar oordeelde diezelfde rechtbank Amsterdam echter anders in een achttal beroepen over vergunningen waarin de minister het besluit op het bezwaar van Fastned heeft genomen na 23 december 2022. Ook die bezwaren wees de minister af. De relevantie van deze datum: op 23 december 2023 maakte de minister, als aanvulling op de in 2004 vastgestelde Kennisgeving Voorzieningen op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen een Tijdelijke beleidsregel bekend. De regeling werd een dag later van kracht. In de Tijdelijke beleidsregel is bepaald dat een vergunning voor een aanvullende laadvoorziening slechts wordt verleend voor de periode tot aan de einddatum van de vergunning voor een basislaadvoorziening op dezelfde verzorgingsplaats of – als zo’n laadvoorziening er niet is – tot aan de einddatum van de huurovereenkomst van het ter plaatse aanwezige tankstation. Bovendien bepaalt de regeling dat geen vergunning wordt verleend als de hiervoor vermelde regel zou leiden tot een vergunning voor minder dan vijf jaar. De gedachte hierachter is dat de Staat de vergunningen voor laadvoorzieningen – die in 2012 nog werden verloot – vanaf 2027 wil gaan veilen. En er wordt uiteraard een hogere opbrengst verwacht als er op dezelfde verzorgingsplaats al laadpalen bij het tankstation aanwezig zijn.

    De rechtbank oordeelde in deze zaken (ECLI:NL:RBAMS:2024:3549) dat de minister de Tijdelijke regeling had moeten toepassen en vernietigde de vergunningen. De rechtbank heeft de minister daarbij opgedragen om binnen zes weken nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van de Tijdelijke beleidsregel. Die besluiten zal de minister intussen hebben genomen, en laadpalen waarover in de bezwaarfase is beslist na 23 december 2022 en die waren geplaatst voordat de vergunningen onherroepelijk waren, zullen moeten worden verwijderd. Het wachten is nu op de Wet op de verzorgingsplaatsen, waarin de vergunningen voor laadvoorzieningen definitief worden geregeld.

     

    [pdf-embedder url=”https://www.actlegal-netherlands.com/wp-content/uploads/Powerpoint-Mobility-Energy-gecomprimeerd.pdf”]

     

    Als u hier meer informatie over wilt, kunt u contact opnemen met Dirk van den Berg.

  • 10 Juridische tips bij het sluiten van een franchiseovereenkomst

    10 Juridische tips bij het sluiten van een franchiseovereenkomst

    10 (juridische) tips bij het sluiten van een franchiseovereenkomst

    12 en 13 april 2024, Dirk van den Berg op de Franchise+ Beurs

     

    [pdf-embedder url=”https://www.actlegal-netherlands.com/wp-content/uploads/Presentatie-Franchise-beurs-12-13-april-2024.pdf”]

  • Vorderingen tot aanpassing CPI-indexering huurprijs niet kansloos

    Vorderingen tot aanpassing CPI-indexering huurprijs niet kansloos

    Vorderingen tot aanpassing CPI-indexering huurprijs niet kansloos

    19 februari 2024, door Dirk van den Berg en Bleike Bruisten

    Voordat de corona-discussies goed en wel waren afgerond, zorgden de hoge inflatiecijfers van 2023 opnieuw voor spanningen tussen verhuurders en huurders, ook in de retail. Verschillende huurders stelden bij de rechter het hoge indexeringspercentage van de huur ter discussie – tot ergernis van hun verhuurders, die immers ook zwaar waren geraakt door de corona-kortingen. De uitspraken van de kantonrechters zijn tot nu toe niet eenduidig. In dit artikel geven wij een update van de stand van zaken.

    Wijziging van het Indexcijfer
    De inval van Rusland in Oekraïne zorgde voor een snel oplopende inflatie, die in Nederland wordt gemeten door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en wordt gepubliceerd in de Consumenten Prijs Index (CPI). Medio 2023 heeft het CBS de rekenmethode aangepast en (met ingang van juni 2023) een gewijzigd indexcijfer gepubliceerd: werden voorheen alleen de prijzen van nieuw afgesloten energiecontracten meegenomen, nu wordt het gemiddelde genomen van wat consumenten daadwerkelijk voor energie betalen. Het CBS heeft de eerder gepubliceerde CPI-cijfers niet herzien, en op de website toegelicht dat de nieuwe rekenmethode geen impact heeft op het gebruik van de CPI voor indexeringsdoeleinden: de inflatie is volgens het CBS in de nieuwe berekening weliswaar minder stijl, maar komt na verloop van tijd op hetzelfde niveau uit.

    De huurverhoging voor bedrijfsruimte is – via het ROZ-modelhuurcontract – meestal gekoppeld aan de CPI. Voor indexeringen per 1 januari 2023 kwam de verhoging uit op 14,5% (september 2022 ten opzichte van september 2021). In de nieuwe berekeningsmethode komt de indexatie van huren die per 1 januari 2024 (opnieuw) worden gewijzigd uit op 0,2% (september 2023 ten opzichte van september 2022).

    Opmerkelijk vonnis
    Het eerste gepubliceerde vonnis – op 4 mei 2023 gewezen door rechtbank Den Haag in kort geding –zorgde direct voor behoorlijk wat opschudding: de kantonrechter wees de vordering tot betaling van de indexering van 14,5% af met verwijzing naar de mededeling van het CBS dat zij de CPI op een andere manier zou gaan berekenen. De rechter oordeelde dat de vordering was gebaseerd op een berekeningsmethode die volgens het CBS “vanaf het moment waarop de energieprijzen explosief gingen stijgen, niet (meer) adequaat is, omdat de invloed van de gestegen energieprijzen op de CPI volgens de berekeningsmethode niet juist is, reden waarom zij die methode inmiddels heeft aangepast”.[1] De verhuurder ging daardoor met lege handen naar huis.

    In een bodemprocedure over de indexering van de huur van een supermarkt oordeelde de kantonrechter te Den Haag echter anders. De kantonrechter zag niet in waarom het indexeringspercentage van 14,5 niet tot het normale ondernemingsrisico zou behoren, en wees de vordering van de huurder af. Het was de kantonrechter niet “gebleken dat het CBS voorafgaand aan de introductie van de nieuwe meetmethode de CPI berekende door middel van een evident foutieve meetmethode” zodat het beroep van de verhuurder op indexering van de huurprijs op basis van de oude CPI-methode “naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is.”[2] Hierbij is het belangrijk te weten dat volgens de Hoge Raad voor “onaanvaardbaar” een veel strengere toets geldt dan voor “onredelijk”. Rechtbank Gelderland oordeelde gelijk ten aanzien van de huur van een restaurant.[3]

    De invloed van de gestegen energieprijzen
    Alle rechters die hierover een oordeel hebben gegeven, zijn het erover eens dat de sterk gestegen energieprijzen niet waren aan te merken als een onvoorziene omstandigheid die moest leiden tot een wijziging van de indexeringsclausule, omdat partijen juist met die clausule een voorziening hebben getroffen voor de situatie waarin de waarde van het geld als gevolg van de gestegen prijzen daalt.

    Afwijzing van het verzoek
    Ook de kantonrechter te Rotterdam werd een geschil voorgelegd over de indexering met 14,5%. Ook deze huurder kreeg nul op het rekest ten aanzien van onvoorziene omstandigheden, maar scoorde met de stelling dat de oude berekeningswijze van de CPI over het hele jaar 2023 een resultaat opleverde dat naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar is: “Partijen hebben de wijziging van de huurprijs gekoppeld aan de CPI met als doel de huurprijs te corrigeren in geval van inflatie. De CPI over september 2022 volgens de oude rekenmethode heeft geleid tot een onrealistisch CPI-cijfer en onverkorte toepassing daarvan leidt niet tot het door partijen beoogde resultaat.”

    Enigszins verrassend wees de kantonrechter de vordering van de huurder tot aanpassing van de indexering toch nog af op een (proces-) technisch punt: doordat de huurder slechts aanpassing van de indexering per januari 2023 had gevorderd, zou de lagere huur ook in 2024 doorwerken, omdat de indexering volgens de nieuwe methode per 1 januari 2024 maar 0,2% zou zijn. Volgens de kantonrechter zou ook de door de huurder gevorderde wijziging tot een onaanvaardbaar resultaat leiden (nu voor de verhuurder), wat alleen zou worden weggenomen als tegelijkertijd ook de indexering per januari 2024 zou worden aangepast, maar dat was niet gevorderd.[4]

    In het vonnis van 10 januari 2024 – eveneens over een huurindexatie met 14,5 % – bouwde Rechtbank Midden-Nederland op deze Rotterdamse uitspraak voort. De huurder beriep zich op de mededeling van het CBS dat de inflatie volgens de nieuwe CPI-methode in september 2022 slechts 7,8% zou zijn geweest, zodat toepassing van de oude rekenmethode – waarvan het CBS immers zelf had erkend dat deze geen juiste uitkomst gaf – naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. De rechter ging daarin mee. Hij oordeelde dat de omstandigheid dat het CBS haar rekenmethode niet met terugwerkende kracht  heeft aangepast, er in feite toe leidt dat de huurder over het jaar 2023 een huurverhoging van 14,5% moet accepteren, terwijl daarvoor geen redelijke grondslag bestaat. Dat in 2024 slechts een geringe indexering volgt, maakt volgens de rechter niet ongedaan dat de huurder “over een periode van een jaar een veel hogere huur moet betalen dan wordt gerechtvaardigd door de daadwerkelijke inflatie”. Ook honoreert de kantonrechter het argument van de huurder dat hij als het ware dubbel ‘gepakt’ wordt, omdat hijzelf de hogere energiekosten moet dragen en daarnaast de stijging van energiekosten krijgt doorberekend in een hogere huurprijs. De rechter heeft in dit vonnis nog geen uitspraak gedaan: hij geeft de partijen in overweging de zaak met deze vingerwijzingen onderling te regelen, omdat de indexering met 0,2% die op grond van de contractsbepalingen per 1 januari 2024 zou volgen ook hier een onbillijke uitkomst voor de verhuurder zou geven.[5]

    Conclusie

    Alle rechters zijn het erover eens dat de sterk gestegen energieprijzen als gevolg van (onder andere) de oorlog in Oekraïne geen onvoorziene omstandigheid opleveren. Over de vraag of de indexering met 14,5% volgens de oude CPI-methode onaanvaardbaar is, zijn de kantonrechters verdeeld. Het wachten is op een uitspraak van een gerechtshof in hoger beroep.

     

    Over de auteurs

    Zit u in een vergelijkbare situatie of mocht u  meer informatie willen over de CPI-indexering, aarzel dan niet om contact op te nemen met Dirk van den Berg (dirk.vandenberg@actlegal-fort.com) of Bleike Bruisten (bleike.bruisten@actlegal-fort.com) van het vastgoedteam van act legal te Amsterdam.

    [1]        Rechtbank Den Haag, 4 mei 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:8786.

    [2]        Rechtbank Den Haag, 29 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:10394.

    [3]        Rechtbank Gelderland 25 oktober 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:5905.

    [4]        Rechtbank Rotterdam, 3 november 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:10295.

    [5]        Rechtbank Midden-Nederland, 10 januari 2024, ECLI: NL:RBMNE:2024:52.

  • Hospitality, een on- of genodigde gast voor verenigingen van eigenaars?

    Hospitality, een on- of genodigde gast voor verenigingen van eigenaars?

    Hospitality, een on- of genodigde gast voor verenigingen van eigenaren?

    3 oktober 2023, door Frank Barneveld en Dirk van den Berg

     

    Nederland bouwt steeds meer de hoogte in. Het aantal hoogbouwtorens zal in 2040 zijn verdubbeld ten opzichte van 2020.[1] In deze torens worden ook hotels gevestigd, zodat de gebouwen in toenemende mate een omgeving bieden voor werk, wonen en vermaak. Dit wordt hybridisering genoemd, een meerzijdige invulling van een gebouw met woonruimte, horeca en retail. Dit geeft een extra dynamiek aan een gebouw en aan de ervaring van de bewoner, gast en  omwonende.

    Maar hoe verhouden verschillende eigenaren van een pand en hun behoeftes zich tot elkaar? Wat als het hotel een verbouwing vereist of wil uitbreiden? Kan een hotelier dit naar eigen inzicht doen of dient hij rekening te houden met de wensen en belangen van de andere eigenaren van het pand? In dit artikel praten wij je bij over hoe hoteliers als eigenaar of als huurder van een appartementsrecht binnen een gebouw zich moeten verhouden tot de andere eigenaren. Hiervoor is het allereerst van belang om te weten hoe het gedeelde eigendom van een vastgoedobject werkt, vervolgens schetsen wij een aantal problemen en hun oplossingen.

    Appartementsrechten

    Bij onroerende zaken (zoals gebouwen) geldt het principe dat alles wat vastzit aan de onroerende zaak één geheel vormt. Omdat de behoefte bestaat om een gebouw met meerdere eigenaren te delen, kent het Nederlandse Burgerlijk Wetboek (‘BW’) zogeheten ‘appartementsrechten’. Een appartementsrecht heeft niet alleen betrekking op een ‘appartement’, maar zorgt ervoor dat meerdere (rechts)personen eigenaar kunnen zijn van een gebouw. Naast een aandeel in het gebouw hebben zij een exclusief gebruiksrecht voor een bepaald gedeelte daarvan (bijvoorbeeld de eerste verdieping of een woning). De eigenaar van een appartementsrecht heeft daarnaast het medegebruik van de gemeenschappelijke ruimtes (zoals de ingang, het dak een lobby etc.) maar ook de gemeenschappelijke zaken (zoals ventilatie, leidingen, bekabeling enz.). De verschillende eigenaren van een gebouw delen veel met elkaar. Dit kan vanzelfsprekend leiden tot verschillende visies en bedoelingen en daarmee tot conflicten.

    Om het gesplitste eigendom van een gebouw zo geordend en democratisch mogelijk te laten verlopen, heeft de Nederlandse Wetgever een aantal artikelen binnen het BW opgenomen om de rechten van elke eigenaar te waarborgen. Een van die artikelen bepaalt dat elk gebouw dat in eigendom wordt gesplitst een vereniging van eigenaren moet hebben (‘VvE’).

    De VvE houdt toezicht op de rechten van de appartementsrechthouders en voert het beheer over de gemeenschappelijke delen van het gebouw; dus niet over de delen die bestemd zijn om afzonderlijk door een eigenaar te worden gebruikt. Elke appartementseigenaar kan zijn eigen gedeelte dus inrichten als hij zelf wil. Zo is het mogelijk om het eigen appartementsrecht – bijvoorbeeld een hotel dat gebruikmaakt van de eerste vijf verdiepingen van een gebouw – zo te gebruiken en in te richten als de eigenaar van dat appartementsrecht wil. Hier zitten wel een aantal mitsen en maren aan. Zo moet een eigenaar van een appartementsrecht er altijd op letten dat zijn gebruik of gewenste veranderingen aan het gebouw niet botsen met de rechten van andere eigenaren. In dergelijke gevallen moet een hotelier eerst goedkeuring krijgen van de VvE om zijn plannen uit te voeren. Hier kan het in de praktijk nog wel eens misgaan.

    Botsende rechten en gevolgen – een aantal praktijk voorbeelden

    Met enige regelmaat komt het voor dat een eigenaar of huurder van een hotel zijn plannen niet kan realiseren omdat deze indruisen tegen de wensen van de VvE. Hieronder schetsen wij een tweetal voorbeelden.

    Verbouw van het gemeenschappelijke pand

    Een hotelexploitant bezit een aantal verdiepingen van een gebouw. Om de algehele ventilatie van de kamers en de afzuiging in de keuken van het restaurant te optimaliseren, wil de exploitant een nieuw ventilatiesysteem installeren. Om zijn plannen te realiseren, heeft hij een bouwkundig tekenaar en een aannemer plannen laten opstellen en heeft hij een vergunning van de gemeente aangevraagd en ontvangen.

    Ondanks dit alles is het voor de hotelexploitant niet mogelijk het ventilatiesysteem te installeren zonder goedkeuring van de VvE, omdat de veranderingen gevolgen hebben voor het gehele gebouw en de eigenaren van de overige appartemensrechten.

    Aankoop en exploitatie van andere delen van een pand

    Ook wanneer er in een pand al een hotel zit en de hotelexploitant extra appartemensrechten aankoopt om zijn exploitatie uit te breiden, geldt dat eerst toestemming nodig is van de andere eigenaren van het pand. In veel splitsingsaktes staat namelijk opgenomen dat een eigenaar van een appartementsrecht dat niet commercieel mag verhuren.

    Elke afzonderlijke ruimte in het gebouw heeft een bepaalde functie: de bestemming. Denk hierbij aan een woonbestemming, hotelbestemming of kantoorbestemming. Het kan dus zo zijn dat de eigenaar van het hotel die meer appartementen in een gebouw koopt, die uiteindelijk niet mag gebruiken voor de uitbreiding van het hotel, omdat de bestemming in de splitsingsakte zich hiertegen verzet.

    Vervangende machtiging van de rechter

    Een hotelexploitant doet er verstandig aan om zich goed in te lezen en rekening te houden met de regels in de splitsingsakte en (als dit er is) het huishoudelijk reglement. Een VvE kan niet zomaar een stokje voor de plannen van een hotelexploitant steken. Daarvoor moet een redelijke grond zijn. Bijvoorbeeld dat de eigenaren kunnen aantonen dat het pand, althans hun appartementsrechten, in waarde zullen dalen. Vaak wordt het argument gebruik dat (uitbreiding van de) exploitatie zal leiden tot overlast van gasten. Wanneer kan worden aangetoond dat de waarde niet zal dalen, of er afdoende maatregelen zullen worden getroffen om overlast tot een minimum te beperken, dan mag een VvE de plannen niet blokkeren. Mocht een VvE niet met de plannen van de hotelexploitant willen meewerken, dan kan de bij de rechter om een vervangende machtiging worden gevraagd.

    Wat zegt de splitsingsakte en het koop/huurcontract

    Het is van groot belang om goed te kijken naar de bepalingen in de splitsingsakte over het gebruik van het gemeenschappelijke pand. De splitsingsakte wordt tekstueel uitgelegd. Staat iets niet expliciet in de splitsingsakte opgeschreven, dan kan het zijn dat dit naar de tekstuele uitleg niet mag. Kijk dus goed of het is toegestaan om bepaalde appartementsrechten commercieel en voor hoteldoeleinden te verhuren.

    Ook bij gehuurde hotelruimte geldt dat goed moet worden gekeken of de verhuurder wel aan een hotelexploitant mag beloven dat deze in het gebouw een hotel mag exploiteren. Is dit niet het geval, dan kan het zomaar zijn dat de huurovereenkomst wel geldig is, maar de hotelexploitant als huurder geen gebruik kan maken van het gebouw en zijn schade bij de verhuurder verhaalt.

    Conclusie

    Wees je ervan bewust dat het delen van een pand met zich meebrengt dat je je als appartementsrechteigenaar moet verhouden tot de overige eigenaren van het pand. Bij uitbreiding van de hotelexploitatie, wijzigingen en verbouwingen kan het goed mogelijk zijn dat eerst toestemming moet worden verkregen van de VvE.

    [1]        Stichting Hoogbouw, Hoogbouw in Nederland 2020, december 2020.

  • Franchise+ interviewt act Fort over de kracht van het bedrijf

    Franchise+ interviewt act Fort over de kracht van het bedrijf

    ‘De kracht van act legal: multidisciplinair, met focus’ – Franchise+ interviewt act legal

    13 april 2023, in Franchise+

     

    Dit artikel is tevens gepubliceerd op de website van Franchise+.

    [pdf-embedder url=”http://www.actlegal-netherlands.com/wp-content/uploads/Artikel-Dirk-en-Katinka-in-Franchise.pdf”]

  • De Wet Vaste Huurcontracten maakt huurcontracten voor onbepaalde tijd weer de norm

    De Wet Vaste Huurcontracten maakt huurcontracten voor onbepaalde tijd weer de norm

    De Wet Vaste Huurcontracten maakt huurcontracten voor onbepaalde tijd weer tot norm.

    17 mei 2023, door Frank Barneveld, Dirk van den Berg en Helma Sengers

     

    Eerder – op 13 april jl. – schreven act legal over de behandeling van de initiatiefwet vaste huurcontracten van Kamerleden Nijboer (PvdA) en Grinwis (CU). Vlak voor de stemming in de Tweede Kamer kwamen Kamerleden De Groot (VVD) en Geurts (CDA) met onverwachte amendementen op het voorstel waardoor de wet opnieuw op 11 mei 2023 in een plenair debat in de Tweede Kamer is besproken en deze later dan gepland in stemmig is gebracht. Gisteren (16 mei 2023) is de initiatiefwet aangenomen in de Tweede Kamer met enerzijds meer specifieke uitzonderingen en anderzijds een bredere beperking van tijdelijke contracten. Bij de vorige stemming waren slechts zelfstandige woonruimten onderdeel van het wetsvoorstel, maar gisteren kon er een Kamermeerderheid worden gevonden om daaraan onzelfstandige woonruimten toe te voegen. In dit blog praten wij u bij over het wetsvoorstel, de recente wijzigingen en wat het voor u als verhuurder zou kunnen betekenen. Wij staan stil bij (i) de aanleiding van het wetsvoorstel, (ii) de beoogde uitzonderingen, (iii) de overgangsperiode en (iv) de mogelijke gevolgen voor de vastgoedmarkt.

    (i) Wetsvoorstel vaste huurcontracten en de aanleiding daartoe

    Het initiatiefwetsvoorstel vaste huurcontracten houdt in dat de mogelijkheid om tijdelijke huurcontracten af te sluiten die automatisch eindigen na het verloop van de bepaalde duur voor zowel zelfstandige als onzelfstandige woningen komt te vervallen. Momenteel kunnen huurders en verhuurders nog tijdelijke huurovereenkomsten met elkaar aangaan voor de duur van maximaal twee (2) jaar voor zelfstandige woonruimte en vijf (5) jaar voor onzelfstandige woonruimte.[1] Deze tijdelijke huurovereenkomsten hoeven niet te worden opgezegd, en eindigen van rechtswege als de verhuurder de huurder binnen het voorgeschreven tijdvak bericht dat de huurovereenkomst zal eindigen.

    De Tweede Kamer heeft, zoals gezegd, gisteren het wetsvoorstel aangenomen. De verwachting is dat het voorstel ook zal worden aangenomen in de Eerste Kamer.

    Door het aannemen van het wetsvoorstel zal een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd weer ‘de norm’ worden. Tijdelijke contracten werden steeds vaker afgesloten en zorgden volgens de initiatiefnemers voor onzekere situaties voor huurders en te hoog vastgestelde huurprijzen. Wanneer het voorstel daadwerkelijk wet wordt kunnen woningen en kamers in beginsel alleen nog voor onbepaalde duur (lees: zonder vaste einddatum) worden verhuurd en kan niet meer worden afgesproken dat het huurcontract automatisch eindigt.

    (ii) De beoogde uitzonderingen

    Volgens het aangenomen wetsvoorstel mag er onder specifieke voorwaarden toch een tijdelijk contract worden overeengekomen dat bij een tijdige mededeling van de verhuurder van rechtswege eindigt wanneer gaat om  bij AMVB aan te wijzen categorieën waarbij gedacht kan worden aan:

    • (buitenlandse) huurders die voor studie en werk tijdelijk in een andere gemeente gaan werken of studeren;
    • huurders die wegens sloop of renovatie hun woning moeten verlaten en een tijdelijke woning moeten betrekken;
    • huurders uit de maatschappelijke opvang die in een sociale noodsituatie behoefte hebben aan een tijdelijke woonruimte of huurders met een tweede of laatste kans-huurovereenkomst.

    Gehandhaafd blijven de opzeggingsgronden gebaseerd op dringend eigen gebruik (de huurovereenkomst eindigt dan dus niet van rechtswege maar er moet worden opgezegd en indien de huurder niet in de opzegging toestemt moet de rechter de overeenkomst beëindigen) bij

    • het opnieuw bewonen door de verhuurder of voorgaande huurder (tussenhuur/diplomatenclausule);
    • doelgroepencontracten van vijf jaar op basis van specifieke categorieën voor dringend eigen gebruik, bijvoorbeeld: voor jongeren, studenten, promovendi, ouderen en gehandicapten;
    • latere bewoning van een eerstegraads familielid (kinderen of ouders)

    Er komt een nieuwe opzeggrond bij voor partners die gaan samenwonen en – tijdens een proefperiode –hun woning willen verhuren. Zij kunnen bij het mislukken van de samenwoning een beroep doen op dringend eigen gebruik, en bij het wel succesvol zijn van de samenwoning de huurovereenkomst beëindigen om de woning vrij van huur te kunnen verkopen. Zij moeten daarvoor wel trouwen of een geregistreerd partnerschap aangaan en zij kunnen deze grond kan maar één keer gebruiken, bovendien niet later dan twee jaar na ingang van de huurovereenkomst.

    Verder blijven er tijdelijke contracten bestaan voor verhuringen die naar hun aard van korte duur zijn, zoals vakantieverhuur en woningen die worden verhuurd krachtens de Leegstandwet.

    Er zijn dus enkele uitzonderingen, maar huurcontracten zullen voortaan in beginsel voor onbepaalde tijd worden gesloten.

    (iii) Overgangsperiode en handhaving

    Bij inwerkingtreding van de wet zal deze direct (!) van toepassing zijn op alle huurovereenkomsten die vanaf dat moment worden afgesloten. Voor huurovereenkomsten die daarvóór zijn gesloten blijft de oude (huidige) wetgeving met betrekking tot de tijdelijke duur van twee (2) of vijf (5) jaar nog wel gelden. Bij een volgende verhuring zal een tijdelijk contract echter niet meer mogelijk zijn, zodat de tijdelijke contracten na verloop van twee jaar vanzelf zullen uitsterven (voor onzelfstandige woonruimte na vijf jaar).

    De mogelijkheid om huurcontracten te sluiten die automatisch eindigen komt dus voor een groot deel te vervallen. Deze regels zijn van dwingend recht, zodat verhuurder en huurder daarvan niet kunnen afwijken. Doen partijen dit – buiten de toegelaten uitzonderingen – wel, bijvoorbeeld door toch af te spreken dat de huurovereenkomst automatisch eindigt als een bepaalde periode is verstreken, dan is dat deel van de overeenkomst niet van toepassing (nietig) en zal een rechter geen rekening houden met de afspraak dat het huurcontract automatisch eindigt.

    (iv) Gevolgen voor de huur- en vastgoedmarkt

    Hoewel het doel van het wetsvoorstel is om de positie van huurders te versterken, blijft het onzeker of de praktische gevolgen daadwerkelijk positief zullen zijn. Het is algemeen bekend dat veel verhuurders ervoor kiezen om hun woningen alleen op tijdelijke basis te verhuren en deze van de markt halen (bijvoorbeeld door verkoop) als het voorstel daadwerkelijk wet wordt. Dit zal resulteren in een afname van het aantal beschikbare huurwoningen, aangezien een deel van deze woningen wordt gekocht voor eigen bewoning bij verkoop. Bovendien zal de voorgestelde regelgeving waarschijnlijk negatieve gevolgen hebben voor nieuwkomers op de woningmarkt, omdat de mogelijkheid om enkele jaren op basis van tijdelijke contracten te huren voordat ze doorstromen naar reguliere verhuur of een koopwoning, wordt beperkt. Ook ten aanzien van studenten die vaak in een onzelfstandige huurwoning wonen is het maar de vraag of er wel voldoende kamers en huizen beschikbaar zullen zijn aangezien de doorloop, naar alle waarschijnlijkheid een stuk minder zal zijn. Een andere groep die nadelige gevolgen zal ondervinden door deze plannen, is de groep mensen die dringend behoefte heeft aan tijdelijke woonruimte, zoals bijvoorbeeld na een scheiding.

    Het is afwachten welke daadwerkelijke impact de wet zal hebben. In het wetsvoorstel is  een evaluatiemoment opgenomen. Binnen vijf (5) jaar nadat de wet in werking is getreden, zal de minister moeten beoordelen hoe de wetgeving heeft uitgepakt.

    Conclusie

    Doordat de ‘Wet vaste huurcontracten’ door de Tweede Kamer is aangenomen is het tijdperk waarin tijdelijke huurcontracten die automatisch eindigen tot een einde gekomen, op de hierboven genoemde uitzonderingen na. Het enige dat daaraan in de weg zou kunnen staan is een veto van de Eerste Kamer. Gelet op de samenstelling daarvan zal dat waarschijnlijk niet gebeuren.

    [1]        Artikel 7:271 lid 1 sub a BW & artikel 7:271 lid 1 sub b BW.

  • Franchisenemer komt onder non-concurrentiebeding uit door partner het bedrijf voort te laten zetten

    Franchisenemer komt onder non-concurrentiebeding uit door partner het bedrijf voort te laten zetten

    Franchisenemer komt onder non-concurrentiebeding uit door partner het bedrijf voort te laten zetten

    1 februari 2023, door Simone ten Wolde en Dirk van den Berg

    Voorheen waren partijen die een franchiseovereenkomst sloten niet gebonden aan speciale franchisewetgeving. Dat is in 2021 veranderd met de Wet franchise. Een aantal van de bepalingen uit die wet kenden een overgangsperiode en op 1 januari van dit nieuwe jaar is de Wet franchise volledig in werking getreden.

    Na de volledige inwerkingtreding zijn franchisegevers en franchisenemers volledig aan de wet gebonden. Eén van de wijzigingen die dit met zich meebrengt, is dat alle non-concurrentiebedingen in franchiseovereenkomsten moeten voldoen aan de vereisten van de wet. Als een post-contractueel non-concurrentiebeding niet voldoet aan de vereisten van de wet, is het simpelweg ongeldig.

    De wet stelt nogal wat eisen aan een non-concurrentiebeding in een franchiseovereenkomst. Het beding moet schriftelijk zijn overeengekomen voor de duur van maximaal één jaar. Daarnaast moet het beding noodzakelijk zijn voor de bescherming van de knowhow van de franchiseorganisatie en mag de beperking uitsluitend zien op concurrerende goederen en diensten. De geografische reikwijdte van het beding mag niet ruimer zijn dan het gebied waarbinnen de franchisenemer de franchiseformule op grond van de betreffende franchiseovereenkomst heeft geëxploiteerd.

    Als een non-concurrentiebeding niet aan deze vereisten voldoet, kan een franchisegever daarop geen beroep doen. Het staat de (voormalige) franchisenemer dan vrij om een met de franchise vergelijkbare onderneming te beginnen, ook vanuit hetzelfde vestigingspunt. De formulering van zo’n beding in de franchiseovereenkomst is dus erg belangrijk.

    Dat dit niet alleen theorie is, wordt duidelijk in een kort geding dat eind vorig jaar heeft gediend bij het gerechtshof in Den Haag. Een kort geding is een kort durende civiele procedure voor spoedeisende zaken die snel beslist moeten worden. De vraag die voorlag was of sprake was van schending van het non-concurrentiebeding in de franchiseovereenkomst.

    De situatie was als volgt. Multicopy heeft een franchiseformule ontwikkeld op het gebied van de exploitatie van een grafisch dienstverlenend bedrijf, ofwel een copy shop. Vanaf 1991 heeft de franchisenemer met wie Multicopy in deze zaak een conflict had, Multicopy-winkels in Noordwijk en Rijswijk geëxploiteerd. De franchisenemer had de franchiseovereenkomst zowel in privé als via zijn vennootschap gesloten. De levenspartner van (de directeur van) de franchisenemer was als bedrijfsleidster in dienst bij de franchisenemer.

    De franchisenemer heeft de franchiseovereenkomst op een gegeven moment opgezegd. Ook de bedrijfsleidster heeft haar arbeidsovereenkomst opgezegd.

    In de franchiseovereenkomst was een non-concurrentiebeding opgenomen. Op basis daarvan mocht de franchisenemer gedurende één jaar na beëindiging van de franchiseovereenkomst geen goederen en diensten verkopen in het vestigingspunt die konden concurreren met de goederen en diensten die het voorwerp waren van de franchiseovereenkomst. Op overtreding van deze bepaling was een boete van EUR 25.000 gesteld, plus een boete van EUR 1.000 voor elke dag dat de overtreding voortduurt.

    De franchisenemer heeft de onderneming na het einde van de franchiseovereenkomst overgedragen aan een vennootschap van de levenspartner. De partner is toen via een vennootschap een copyshop gaan exploiteren vanuit hetzelfde pand als de franchisenemer dat deed. De huurovereenkomst is dus overgedragen, maar ook zijn klantgegevens overgedragen en is de inventaris (printers en dergelijke) in het bedrijfspand blijven staan. Ook was het personeel overgedragen en werden oud klanten van de voormalige franchisenemer actief benaderd.

    De franchisegever was daar (uiteraard) niet blij mee en spande een kort geding procedure tegen de voormalige franchisenemer aan. Multicopy deed daarbij een beroep op het non-concurrentiebeding. Zij stelde zich op het standpunt dat de franchisenemer het non-concurrentiebeding schond door overdracht van de onderneming aan de vennootschap van de levenspartner.

    De rechter kwam tot het oordeel dat van een schending van het non-concurrentiebeding geen sprake was. Dit oordeelde zowel de rechter in de eerste instantie ( de rechtbank) als de drie rechters in het hoger beroep (het gerechtshof).

    De rechters oordeelden dat de overdracht van de onderneming aan de partner op grond van het non-concurrentiebeding niet verboden is. Het beding had namelijk in letterlijke zin betrekking op de rechtstreekse of indirecte verkoop door de voormalige franchisenemer van vergelijkbare goederen en diensten in de vestigingen.

    Het was dus slechts de voormalige franchisenemer verboden rechtstreeks of indirect in het vestigingspunt goederen en diensten te verkopen die concurreerden met de goederen en diensten die onderwerp waren van de overeenkomst. De rechter vond het onvoldoende aannemelijk dat daarvan sprake was. Niet de voormalige franchisenemer, maar de levenspartner verkocht vergelijkbare goederen en diensten in het pand. De voormalige franchisenemer was betrokken geweest bij de verkoop van de activa aan zijn levenspartner, maar dat betekende nog niet nog niet dat hij ook indirect bij de verkoop van concurrerende goederen en diensten door de nieuwe exploitant aan derden betrokken is geweest.

    Het stond de voormalige franchisenemer gewoon vrij om zijn activa aan een derde te verkopen. Dat de bestuurders en aandeelhouders van de vennootschappen waartussen de overdracht plaatsvond, privé aan elkaar gelieerd zijn, was volgens de rechter onvoldoende om te zeggen dat het non-concurrentiebeding onder die omstandigheid toch zo mocht worden begrepen dat deze situatie daaronder viel.

    Multicopy trekt dus aan het kortste eind. De levenspartner van de voormalige franchisenemer mag het bedrijf feitelijk voortzetten in het pand. Dit lijkt dus een makkelijke manier om onder het non-concurrentiebeding uit te komen als dit op een vergelijkbare manier is geformuleerd.

    In de franchiseovereenkomsten komen dergelijk geformuleerde non-concurrentiebedingen ook voor. Voor franchisegevers is het zaak om daar op te letten, en voor franchisenemers biedt het mogelijk een kans om onder het non-concurrentiebeding uit te komen. De formulering van het non-concurrentiebeding maakt een wereld van verschil, laat je daar dus goed over informeren en adviseren.

    De uitspraak is hierboven verkort en vereenvoudigd weergegeven. De volledige uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 13 december 2022 is te vinden op Rechtspraak.nl met ECLI-nummer: ECLI:NL:GHDHA:2022:2394.

  • Wet franchise volledig in werking voor bestaande franchiseovereenkomsten

    Wet franchise volledig in werking voor bestaande franchiseovereenkomsten

    Wet franchise volledig in werking voor bestaande franchiseovereenkomsten

    28 december 2022, door Dirk van den Berg 

    Wie na 1 januari 2021 een franchiseovereenkomst heeft gesloten, is mogelijk al vertrouwd met de nieuwe regels die de Wet franchise aan een franchiseovereenkomst stelt. Partijen met een lopende overeenkomst konden tot nu toe voor een groot deel op de oude voet verder werken. Dat is vanaf 1 januari 2023 anders: ook franchiseovereenkomsten die zijn gesloten vóór 1 januari 2021 moeten dan volledig voldoen aan de Wet franchise. Concreet betekent dit dat de franchiseovereenkomst een regeling voor het vaststellen van de goodwill moet bevatten. Ook wordt het postcontractueel non-concurrentiebeding aan regels gebonden. Bepalingen die ten nadele van de franchisenemer afwijken van de wet zijn vanaf 1 januari a.s. ongeldig. De derde ingrijpende wijziging betreft het instemmingsvereiste. Als dat in de franchiseovereenkomst niet goed is geregeld kan dat ingrijpende gevolgen hebben voor de slagkracht van de gehele franchiseorganisatie.

    Goodwill

    Vanaf 1 januari 2023 moet in iedere franchiseovereenkomst zijn opgenomen hoe er bij het einde van de overeenkomst wordt vastgesteld of er goodwill aanwezig is in de franchiseonderneming, hoe groot die is, en hoeveel daarvan aan de franchisenemer is toe te rekenen. De overeenkomst moet daarnaast in twee situaties bepalen hoe die goodwill aan de franchisenemer wordt vergoed: als de franchisegever de franchiseonderneming overneemt om deze zelf voort te zetten én wanneer hij dat doet om deze over te dragen aan een nieuwe franchisenemer. Franchisegevers en franchisenemers kunnen onderling bepalen hoe gedetailleerd zij deze regeling vastleggen: van een uitgewerkte rekenformule tot vaststelling door (meestal drie) deskundigen. De uitkomst van de rekensom of de exercitie van de deskundigen kan zodoende onder omstandigheden ‘nul’ zijn, als er maar is vastgelegd hoe deze tot stand komt.

    Er is discussie of onder “overnemen” alleen de situatie moet worden verstaan dat daarover een overeenkomst wordt gesloten, of dat het ook de situatie betreft dat de franchisegever de locatie na vertrek van de oude franchisenemer zelf gaat gebruiken of aan een nieuwe franchisenemer uitgeeft zonder daarover een afspraak met de oude franchisenemer te maken. De tweede betekenis sluit het meeste aan bij de bedoeling van de wetgever, maar in de toelichting bij de wet wordt gesproken van de situatie dat de franchisegever de onderneming van de franchisenemer “koopt”. Daarom is nog onduidelijk hoe de wet precies moet worden uitgelegd.

    Non-concurrentiebeding

    Een postcontractueel non-concurrentiebeding is een bepaling waarbij de franchisenemer wordt beperkt om na afloop van de franchiserelatie concurrerende activiteiten te ontplooien. Tot de nieuwe wet in werking trad, kon de franchisegever in de franchiseovereenkomst ruimere beperkingen aan een franchisenemer opleggen dan noodzakelijk was voor de bescherming van de knowhow van de franchiseformule. Zo kwam het voor dat het een franchisenemer werd verboden om een met de franchiseformule vergelijkbare onderneming te starten in heel Europa tot tien jaar na afloop van de franchiseovereenkomst. Dergelijke bepalingen zijn tot op de dag van vandaag in principe afdwingbaar. Dat verandert per 1 januari aanstaande. De in de wet geformuleerde voorwaarden gaan dan voor alle lopende franchiseovereenkomsten gelden.

    De Wet franchise stelt grenzen aan zowel de reikwijdte als de duur van het non-concurrentiebeding. Wat het eerste punt betreft: het beding moet beperkt zijn tot activiteiten die concurreren met de activiteiten die de (ex-) franchisenemer verrichtte onder de franchiseovereenkomst. Ook moet het beding onmisbaar zijn voor bescherming van de knowhow van de franchisegever. Daaronder valt het franchiseconcept en de praktische informatie die voortkomt uit kennis en ervaring van de franchisegever. Deze kennis kan opgeschreven zijn in het handboek, maar ook een bepaalde manier van zakendoen of inrichten van bedrijfsprocessen kan eronder vallen. Als de franchisegever slechts een beperkte rol speelt in de franchiserelatie en weinig knowhow overdraagt, ontbreekt volgens de wetgever het belang om die te beschermen door middel van een non-concurrentiebeding en kan de franchisegever daarop geen beroep doen. Ook mag een postcontractueel non-concurrentiebeding een ex-franchisenemer geen beperkingen opleggen buiten het exclusiviteitsgebied waarbinnen de franchisenemer tijdens de looptijd van de franchiseovereenkomst actief was.

    Ook stelt de Wet franchise ook een grens aan de duur van het beding: het mag de voormalige franchisenemer niet langer dan één jaar beperken in zijn doen en laten. De sanctie op overtreding van deze grenzen is nietigheid. Dat betekent dat de franchisegever van een te ruim geformuleerd beding geen nakoming kan vorderen en een op overtreding van het beding gestelde boete niet kan incasseren. Een franchisegever heeft er dus ook alle belang dat het non-concurrentiebeding aan de eisen van de wet voldoet.

    Instemmingsvereiste

    Franchiseovereenkomsten zijn vaak zo opgesteld dat de franchisenemer bij voorbaat instemt met wijzigingen die de franchisegever wenst door te voeren. Ook komt het voor dat de franchiseovereenkomst zo ruim is geformuleerd dat de franchisegever wijzigingen kan doorvoeren zonder daarvoor de overeenkomst te wijzigen. De wetgever vindt dat onder bepaalde omstandigheden onwenselijk, vooral als de franchisenemer (flinke) financiële offers moet brengen voor een eenzijdig opgelegde wijziging. Daarom bevat de Wet franchise de instemmingsregeling. Deze regeling heeft betrekking op de situatie dat de franchisegever een “wijziging in de franchiseformule” wil doorvoeren waarbij de franchiseovereenkomst niet hoeft te worden gewijzigd, of een “afgeleide formule” wil lanceren. Wat een formulewijziging exact is bepaalt de wet niet. De toelichting bij de wet noemt wel voorbeelden, zoals een wijziging van het soort producten of diensten, de manier van aanbieden, of aanpassing van het verdienmodel. Het begrip afgeleide formule is wel gedefinieerd. Het gaat om een formule die in de beleving van het publiek veel gelijkenissen vertoont met de franchiseformule en daarmee sterke associaties oproept, bijvoorbeeld door gebruik van dezelfde of een vergelijkbare huisstijl en/of merknaam. Klanten kunnen dan ten onrechte denken dat het gaat om dezelfde formule.

    Als de franchisegever hierbij een investering verlangt van de franchisenemer, hem een betalingsverplichting oplegt, verlangt dat hij kosten maakt of een omzetderving van de franchisenemer voorziet, dan moet de franchisegever eerst de instemming verkrijgen van ofwel de meerderheid van álle in Nederland gevestigde franchisenemers ofwel iedere franchisenemer die door de maatregel wordt geraakt afzonderlijk.

    De franchiseorganisatie kan behoorlijk worden afgeremd als de franchisegever voor iedere formulewijziging die een franchisenemer ook maar enigszins financieel raakt, instemming van franchisenemers nodig heeft. Om dat te voorkomen is de zogenaamde drempelwaarde geïntroduceerd. Instemming is niet vereist als de verwachte meerkosten of minderomzet onder de in de franchiseovereenkomst vastgelegde drempel blijven. Franchisegevers doen er dus verstandig aan drempelwaarden af te spreken, maar ook franchisenemers zullen er vaak baat bij hebben: als iedere wijziging steeds instemming behoeft, verliest de franchiseformule slagkracht, en dat kan weer leiden tot een verzwakking van de concurrentiepositie en omzetverlies bij de franchisenemer. In de toelichting bij de Wet franchise heeft de wetgever franchisenemers die weigeren met (redelijke) drempelwaarden in te stemmen gewaarschuwd dat zij zich mogelijk niet gedragen als “goed franchisenemer”. De franchisegever zal in dat geval via de rechter een drempelwaarderegeling kunnen afdwingen, waarbij de franchisenemer moet bijdragen in de proceskosten van de franchisegever.

    Mocht u meer informatie willen verkrijgen over het onderwerp? Of sparren over de impact van deze wet? Wij helpen u daar graag bij! Als u interesse heeft, stuur ons dan een e-mail: dirk.vandenberg@actlegal-fort.com.

  • Recht op huurvermindering voor hotelexploitanten wegens corona

    Recht op huurvermindering voor hotelexploitanten wegens corona

    Recht op huurvermindering voor hotelexploitanten wegens corona

    22 juli 2022, door Dirk van den Berg

     

    Uitbaters van hotels hebben het de afgelopen twee jaar niet gemakkelijk gehad. Een lichtpuntje voor huurders van hotelvastgoed: mogelijk kunnen zij een deel van hun huurlasten – met terugwerkende kracht – van hun verhuurder terugvragen.

    Onvoorziene omstandigheden, geen huurrechtelijk ‘gebrek’

    Op de website www.rechtspraak.nl is een vijftiental corona-uitspraken over de huurprijsvermindering van hotels gepubliceerd. Zoals vaker het geval is, zijn de zaken waarin is geprocedeerd het topje van de geschillen-ijsberg. Bijna twee jaar was het onduidelijk hoe huurders en verhuurders met de financiële consequenties van de coronamaatregelen moesten omgaan. Maar sinds de Hoge Raad op 24 december 2021 de door rechtbank Limburg gestelde prejudiciële vragen beantwoordde, weten we dat het ‘haakje voor huurvermindering’ onvoorziene omstandigheden heet, en welke formule partijen moeten gebruiken om te berekenen welk deel van de ‘coronapijn’ van de huurder voor rekening van de verhuurder komt.

    In een groot aantal uitspraken hebben lagere rechters de verminderde exploitatiemogelijkheden als een huurrechtelijk ‘gebrek’ aangemerkt, maar die figuur is volgens de Hoge Raad niet van toepassing. Met dat oordeel ben ik erg gelukkig, omdat naar mijn overtuiging het niet kunnen exploiteren niets te maken had met de verhuurde panden zelf, maar met het wegblijven van “het publiek” als gevolg van de overheidsmaatregelen.

    5 Corona-uitspraken over hotels

    In 2020 gaan vijf van de veertig gepubliceerde corona-uitspraken over (meest Amsterdamse) hotels. De meest in het oog springende uitspraak is uiteraard die van 17 juli 2020 over het prestigieuze W Hotel aan de Spuistraat in Amsterdam met een overeengekomen maandhuur die opliep van € 580.255,– in het voorjaar van 2020 tot € 833.333,– in oktober van dat jaar. De huurder vorderde in kort geding een machtiging om over de periode van 12 maart tot en met 15 juni 2020 geen huur te hoeven betalen, en slechts 25% van de huur over de periode van 16 juni tot en met het eind van het jaar. De voorzieningenrechter vond het aannemelijk dat de bodemrechter de huur over het tweede kwartaal van 2020 zou verlagen tot 50%, de huur over het derde kwartaal tot 60% en die over het vierde kwartaal tot 75%. Het meerdere hoefde de uitbater daarom niet te betalen totdat daarover in een bodemzaak definitief zou zijn geoordeeld. Die bodemprocedure moest wel binnen drie weken aanhangig worden gemaakt, anders zou het opschortingsrecht vervallen. Hoe die bodemprocedure is afgelopen heb ik op rechtspraak.nl niet kunnen vinden.

    Hotelexploitanten vingen ook een aantal keren bot in kort geding. Zo kregen op 17 juli 2020 en 27 augustus 2020 de exploitanten van het Museum Hotel en het Element Hotel van de voorzieningenrechter te Amsterdam het lid op de neus omdat zij niet aannemelijk konden maken dat hun omzetderving werd veroorzaakt door de coronacrisis. Element Hotel werd daarbij zelfs tot ontruiming veroordeeld, omdat zij na halvering van de huur over het tweede en derde kwartaal van 2020 nog steeds een huurachterstand van meer dan drie maanden had.

    In 2021 gingen de overheidsbijdragen die huurders konden krijgen een grotere rol spelen, zo ook in de uitspraak van de voorzieningenrechter te Amsterdam van 21 januari 2021 in de zaak van Swissôtel tegen haar verhuurder Dam Square. De exploitant van dit door de coronacrisis zwaar getroffen hotel vorderde in kort geding – grotendeels met terugwerkende kracht – opschorting van 50% van haar huurbetalingsverplichtingen over de periode vanaf 15 maart 2020. Voor zover zij meer had betaald dan 50%, vorderde zij dat terug. Aan de hand van de door Swissôtel overgelegde resultaten over heel 2020 oordeelde de rechter dat de verhuurder naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen recht had op volledige huurbetaling, omdat de coronacrisis de waardeverhouding tussen de wederzijdse prestaties ernstig had verstoord.

    Er waren toen al verschillende uitspraken (niet over hotels) gepubliceerd waarin de door de huurder te ontvangen Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) werd opgeteld bij de omzet die de huurder had weten te behouden. De verhuurder in deze zaak benaderde het iets anders en voerde aan dat de door Swissôtel (te) ontvangen TVL eerst van de verschuldigde huur moest worden afgetrokken en het restant van de huur 50/50 door beide partijen moest worden gedeeld. De kortgedingrechter ging daar niet in mee. Omdat Swissôtel een substantieel omzetverlies liet zien, en meer vaste lasten had dan alleen de huur, stond zij opschorting van 50% van de huur toe, met de kanttekening dat in de bodemprocedure – die Swissôtel  binnen een maand aanhangig moest maken – opnieuw zou worden gekeken naar de lasten en de opbrengsten. De gevorderde terugwerkende kracht werd in dit kort geding grotendeels afgewezen.

    Formule voor huurvermindering

    Swissôtel begon de bodemprocedure, maar ging ook in hoger beroep van de kortgedinguitspraak. Dat leidde tot de inmiddels fameuze uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 14 september 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:2728) waarin voor het eerst de op 24 december 2021 door de Hoge Raad geadopteerde formule voor huurvermindering is toegepast, te weten:

    Huurvermindering = (werkelijke vaste lasten – aanspraak TVL) x % huurdeel van Vaste Lasten x % omzetdaling x 50%.

    Het hof liet daarbij in het midden of sprake was van een “gebrek”. Amper twee weken na deze hofuitspraak haakte procureur-generaal bij de Hoge Raad Wissink in zijn conclusie van 30 september 2021 (ECLI:NL:PHR:2021:902) met zoveel woorden bij deze formule aan (hij kwam daar wel via de tussenstap van het gebrek). Vervolgens deed de kantonrechter op 5 november 2021 uitspraak in de bodemzaak volgens deze zelfde formule, waarbij zij wegbleef van de gebreksdiscussie.

    Op 24 december 2021 kwam ook de Hoge Raad met deze formule. De Hoge Raad overwoog dat een huurder die voor zijn omzet afhankelijk is van de komst van publiek, en als gevolg van de coronamaatregelen een gehuurde 290-bedrijfsruimte niet of slechts in geringe mate heeft kunnen exploiteren, op grond van onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 6:258 BW vermindering van de huurprijs kan verkrijgen als de huurovereenkomst vóór 15 maart 2020 is gesloten. De coronamaatregelen zijn volgens de Hoge Raad geen gebrek. De te nemen stappen zijn de volgende:

    1. Bepaal het percentage van de overeengekomen huurprijs ten opzichte van het totaalbedrag aan vaste lasten, te weten: de afschrijvingen op vaste activa machines, gebouwen, vervoermiddelen, software) en de overige bedrijfskosten (in ieder geval niet: inkoopwaarde van de omzet en de arbeidskosten).
    2. Laat het onder 1 gevonden percentage los op de TVL die de huurder kon verkrijgen.
    3. Verminder de overeengekomen huurprijs met het onder 2 berekende deel van het TVL-bedrag.
    4. Bereken het percentage van de omzetvermindering door de omzet in de periode waarover de huurprijsvermindering berekend wordt (hierna: de lagere omzet) per maand te vergelijken met de omzet in hetzelfde tijdvak in het laatste jaar voorafgaand aan de coronapandemie (hierna: de referentieomzet) volgens de formule: percentage omzetvermindering = 100% – (100% x (de lagere omzet: de referentieomzet)).
    5. Het tussen partijen te verdelen nadeel wordt gevonden door het percentage van de omzetvermindering gevonden onder 4 te vermenigvuldigen met de resterende huurprijs gevonden onder 3.
    6. Vervolgens wordt de huurprijs verminderd met 50% van dit nadeel, tenzij uit de in art. 6:258 lid 1 BW bedoelde redelijkheid en billijkheid een andere verdeling volgt.

    Ik realiseer mij dat twee jaar na dato veel huurders intussen afspraken met hun verhuurder zullen hebben gemaakt, die niet overeenkomen met deze methode. Als deze afspraken slechts zien op een gedeelte van de periode waarin de coronamaatregelen van kracht waren, zijn partijen aan die afspraak in principe gebonden. Mogelijk kan voor een periode waarover nog geen expliciete afspraken zijn gemaakt nog worden aangesloten bij de Hoge Raad-formule. Het is de moeite waard om te onderzoeken of dit het geval is.

    Heeft u vragen over huurvermindering in verband met corona? Aarzel niet om contact op te nemen met een van onze huurrechtspecialisten.

    https://www.actlegal-netherlands.com/huurrecht/

  • De eindsprint: pas nu uw franchiseovereenkomst aan!

    De eindsprint: pas nu uw franchiseovereenkomst aan!

    De eindsprint: pas nu uw franchiseovereenkomst aan!

    25 juli 2022, door Dirk van den Berg en Frédérique Sarneel

     

    Nog even snel de franchiseovereenkomst aanpassen? Vanaf 1 januari 2023 moeten ook franchiseovereenkomsten die zijn gesloten vóór 1 januari 2021 volledig voldoen aan de Wet franchise. Wij komen nog geregeld franchisenemers en -gevers tegen die (nog) niet bezig zijn met aanpassing van hun overeenkomst aan de wet. Sommigen zijn zich er niet van bewust dat wijzigingen noodzakelijk zijn. Maar wij zien vooral dat de duur van de onderhandelingen wordt onderschat. En juist die onderhandelingen nemen in de praktijk behoorlijk veel tijd in beslag. Snel de overeenkomst aanpassen is in de praktijk dus meestal niet haalbaar.

    Op welke onderwerpen moet de franchiseovereenkomst dan worden aangepast? Ten eerste moet de franchiseovereenkomst een goodwillbepaling bevatten die voldoet aan de wettelijke eisen. Ten tweede stelt de wet ook eisen aan het non-concurrentiebeding voor franchisenemers. Bepalingen die op deze onderwerpen ten nadele van de franchiseovereenkomst afwijken van de wet, zijn vanaf 1 januari aanstaande ongeldig.

    Ten derde is het zeer verstandig om in uw franchiseovereenkomst rekening te houden met het instemmingsvereiste. Heeft u daar in uw franchiseovereenkomst niks over afgesproken, dan kan dat ingrijpende gevolgen hebben voor de slagkracht van de gehele franchiseorganisatie. We leggen u in dit artikel uit wat er verandert en hoe u problemen kunt voorkomen.

    Instemmingsregeling

    Franchiseovereenkomsten zijn vaak zo opgesteld dat de franchisenemer bij voorbaat heeft ingestemd met wijzigingen die de franchisegever wenst door te voeren. Ook komt het voor dat de franchiseovereenkomst zo ruim en abstract is geformuleerd, dat de franchisegever wijzigingen kan doorvoeren zonder toestemming van de franchisenemer nodig te hebben. De wetgever vindt dat onder bepaalde omstandigheden onwenselijk, vooral als de franchisenemer (flinke) financiële offers moet brengen voor een eenzijdig opgelegde wijziging.

    Om die reden introduceert de Wet franchise de instemmingsregeling. Deze regeling heeft betrekking op de situatie dat de franchisegever een “wijziging in de franchiseformule” wil doorvoeren waarbij de franchiseovereenkomst niet hoeft te worden gewijzigd, of een “afgeleide formule” wil lanceren. Wat een formulewijziging exact is, bepaalt de wet niet. In de toelichting bij de wet worden wel voorbeelden genoemd, zoals een wijziging van het soort producten of diensten, de manier van aanbieden, of aanpassing van het verdienmodel. Het begrip afgeleide formule is wel gedefinieerd. Het gaat om een formule die in de beleving van het publiek veel gelijkenissen vertoont met de franchiseformule en daardoor sterke associaties oproept met die franchiseformule, bijvoorbeeld door gebruik van dezelfde of vergelijkbare huisstijl en/of merknaam. Klanten kunnen dan ten onrechte denken dat het gaat om dezelfde formule.

    Als de franchisegever hierbij een investering verlangt van de franchisenemer, hem een betalingsverplichting oplegt, verlangt dat hij kosten maakt of een omzetderving van de franchisenemer voorziet, dan moet de franchisegever eerst instemming krijgen.

    Hij mag de wijziging alleen doorvoeren als ofwel de meerderheid van álle in Nederland gevestigde franchisenemers van de franchiseonderneming instemt, of als iedere franchisenemer die door de maatregel wordt geraakt afzonderlijk instemt. De wet zorgt op dit gebied dus voor meer inspraak van franchisenemers.

    Drempelwaarden

    De franchiseorganisatie kan behoorlijk worden afgeremd als de franchisegever voor iedere formulewijziging die een franchisenemer ook maar enigszins financieel raakt, instemming van franchisenemers nodig heeft. Daar is een oplossing voor bedacht: de franchiseovereenkomst mag drempelwaardenbevatten. Instemming is dan alleen vereist als de verlangde investeringen, financiële bijdragen, kosten en/of verwachte omzetderving boven de in de franchiseovereenkomst vastgelegde drempel zullen uitstijgen. Franchisegevers doen er dus verstandig aan drempelwaarden af te spreken.

    Ook de franchisenemer kan baat hebben bij drempelwaarden. De franchisegever zal doorgaans alleen een formulewijziging willen doorvoeren als hij verwacht dat ook franchisenemers daarmee uiteindelijk een positiever resultaat bereiken. De franchisegever heeft immers ook (financieel) belang bij een goed resultaat van franchisenemers. Als iedere wijziging steeds instemming behoeft, dan verliest de franchiseformule slagkracht, en dat kan weer leiden tot een verzwakking van de concurrentiepositie en omzetverlies van de franchisenemer. In de toelichting bij de wet heeft de wetgever franchisenemers die weigeren met (redelijke) drempelwaarden in te stemmen (zodat geen akkoord wordt bereikt en alle wijzigingen altijd instemming behoeven) gewaarschuwd dat zij zich mogelijk niet gedragen als “goed franchisenemer”. De franchisegever kan in dat geval waarschijnlijk een drempelwaarderegeling bij de rechter afdwingen.

    Vertegenwoordiging

    Ook het bestaan van een vertegenwoordiging voor franchisenemers – bijvoorbeeld via de franchisevereniging – kan voor de franchisegever efficiënt zijn ter verkrijging van de vereiste instemming, vooral als dit orgaan bevoegd is de meerderheid van de franchisenemers te binden. Ook dat is een maatregel die kan worden genomen om de slagkracht van de franchiseorganisatie te behouden.

    Hulp nodig? Rondetafelsessies!

    Wilt u de franchiseovereenkomst in overeenstemming brengen met de Wet franchise? Of sparren over de impact van deze wet? Wij helpen u daar graag bij! Wij organiseren op 1 en 8 september 2022 rondetafelsessies waarin we met franchisenemers en -gevers in gesprek gaan over aanpassingen in de franchiseovereenkomst in verband met de nieuwe wet. Als u interesse heeft, stuur ons dan een e-mail: dirk.vandenberg@actlegal-fort.com en frederique.sarneel@actlegal-fort.com.