Tag: Pompshop

  • Dirk van den Berg in Pompshop: De Paal – Dappere CODO

    De Paal – Dappere CODO

    1 februari 2021, door Dirk van den Berg

     

    Wie procedeert tot aan de Hoge Raad krijgt niet alleen een oordeel van deze hoogste rechter, maar ook een advies van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad. Het is een advies aan de Hoge Raad. De Hoge Raad hoeft dat advies, conclusie genaamd, niet te volgen, maar doet dat in de meeste gevallen wel.

    In de eerste week van dit jaar verschenen er op rechtspraak.nl twee van deze conclusies in de cassatieberoepen die de exploitant van het rijkswegstation De Paal (bij het plaatsje Wilp) heeft ingesteld tegen twee uitspraken van de gerechtshoven Den Haag en Den Bosch. De exploitant, DPW, een zogenaamde toegewezen exploitant exploiteerde het station op basis van het “standaard exploitatiecontract” voor toegewezen exploitanten, en ontving op de brandstoffen de voor het laatst in de jaren ’80 van de vorige eeuw aangepaste standaard kortingen (ook wel Bovag-marge genoemd) van € 4,83 per 100 liter op de adviesprijs voor benzines en van € 3,52 op de adviesprijs voor diesel.

    Het was DPW een doorn in het oog dat DODO-tankstations aanmerkelijk betere inkooprijzen kregen. DPW heeft daarom haar verhuurder en leverancier Esso gedagvaard om de kortingen te verkrijgen die Esso aan DODO-tankstations verstrekte. Nadat DPW in 2016 bij de Hoge Raad de procedure verloor waarin zij rechtstreeks deze marges claimde, is zij in 2017 een nieuwe procedure begonnen, en voor de periode vanaf 2012 ook tegen haar nieuwe leverancier/verhuurder Total, die de veiling van De Paal in 2011 had gewonnen.

    In deze procedures heeft DPW haar vorderingen gebaseerd op de weigering van deze leveranciers om in onderhandeling te treden en zo samen de prijs voor de te leveren brandstoffen te bepalen. Door niet te onderhandelen, maar in plaats daarvan zelf de prijzen vast te stellen, hebben zij volgens DPW wanprestatie gepleegd (want in strijd gehandeld met de goede trouw) of zelfs onrechtmatig gehandeld, waardoor DPW schade heeft geleden. DPW meent dat de oliemaatschappijen haar deze schade moeten vergoeden, waarna DPW in de positie zou komen waarin zij had verkeerd als zij met de oliemaatschappijen wel in goed overleg tot een passende had kunnen komen.

    Zowel de rechtbanken in Breda en Den Haag als in hoger beroep de gerechtshoven volgen DPW niet in deze redenering. Uit het standaard exploitatiecontract volgt immers niet dat er onderhandeld moet worden: de “handelaarsprijzen” waartegen de oliemaatschappijen de toegewezen exploitanten moeten beleveren zijn de prijzen waartegen zij ook de (gewone) CODO-exploitanten leveren. Ook de Advocaat-Generaal volgt DPW niet, en adviseert de Hoge Raad om de vorderingen af te wijzen. Ik verwacht dat dat ook zal gebeuren.

    Maar het is volkomen terecht dat DPW zich heeft beklaagd over haar leveringscondities. Tot in de jaren ’90 werden deze jaarlijks besproken en zo nodig aangepast in een gezamenlijk overleg tussen het Ministerie van Economische Zaken, de Bovag en de oliemaatschappijen, zodat de exploitanten daaruit hun kosten konden dekken en een redelijk inkomen konden kunnen genereren, vandaar de naam Bovag-marge. In het begin van de jaren ’90 is hieraan een einde gekomen onder invloed van het mededingingsrecht. Sinds 1987 is de Bovag-marge niet meer aangepast of geïndexeerd.

    Intussen hebben de oliemaatschappijen hun marge (de groothandelsmarge) behoorlijk weten op te rekken. In 1987 waren de marges voor beide partijen nog ongeveer even groot. In 2015 was de marge van de oliemaatschappijen al drie maal zo groot als die van de CODO-exploitant, en in de coronacrisis hebben zij deze verder weten te verhogen. DODO’s konden wél onderhandelen (zij kunnen immers om de vijf jaar van leverancier wisselen), en hebben wel een goede marge weten te behouden. CODO-exploitanten verdienen al lange tijd niets meer aan de brandstoffen en moeten het hebben van hun shopverkopen. Zij sterven daardoor gestaag uit.

    Op grond van deze totaal uit de hand gelopen verhoudingen zie ik wel mogelijkheden voor een vordering tot aanpassing van de contractsvoorwaarden voor DODO’s op grond van onvoorziene, gewijzigde, omstandigheden. De lat daarvoor ligt hoog: het moet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn om de exploitanten aan de overeengekomen voorwaarden te houden. Dat punt is naar mijn idee bereikt. Welke dappere CODO durft dit aan?

     

    Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp. Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.

     

  • Dirk van den Berg in Pompshop: De felbegeerde positie van exploitant

    Dirk van den Berg in Pompshop: De felbegeerde positie van exploitant

    De felbegeerde positie van exploitant

    1 december 2020, door Dirk van den Berg

     

    In de twintig jaar dat ik ondernemers in de tankstationbranche bijsta heb ik ze zien uitsterven, de exploitanten: huurders van een tankstation van een oliemaatschappij met de verplichting de brandstoffen die zij op het tankstation verkopen af te nemen van hun verhuurder, doorgaans tegen de in de jaren ’80 van de vorige eeuw voor het laatst aangepaste Bovag-marge van € 4,83 per 100 liter benzine en € 3,52 per 100 liter diesel; kortingen op de adviesverkoopprijzen van de oliemaatschappijen.

    Veel van deze exploitanten konden het hoofd nauwelijks boven water houden. Zij konden immers de brandstoffen niet voor een concurrerende prijs aan de klant aanbieden omdat hun eigen inkoopprijs nog geen 6 cent (inclusief btw) onder de adviesprijs lag, en de kortingen in feite pas beginnen bij dubbele cijfers. De eerste zaak die ik voor deze exploitanten deed was vaak ook de laatste: het bereiken van een afscheidsregeling, al dan niet in het kader van een procedure bij de rechter.

    Oliemaatschappijen boden noodlijdende exploitanten soms ook de ‘oplossing’ om agent te worden. Zij hoefden dan de brandstoffen niet meer in te kopen bij de oliemaatschappij, maar kregen een vaste, nog lagere, (doorstroom-) vergoeding voor alle verkochte liters. De oliemaatschappij verkoopt de brandstoffen dan rechtstreeks aan de klant en de huurder van het tankstation (of alleen van de shop) bemiddelt daar uitsluitend bij. Opmerkelijk genoeg kunnen er dan ineens wél hoge kortingen worden gegeven. Gulf (uit Harderwijk) heeft deze constructie vermoedelijk bedacht, maar we kennen hem ook van Esso (tegenwoordig NRGValue/EG) en Tamoil.

    “Maar wat” zult u zeggen “is dan nu zo felbegeerd aan de positie van de exploitant”? Het antwoord is te vinden in de Benzinewet. Die bepaalt immers dat de overeenkomst die een “wederpartij” of een “huurder” van de Staat (doorgaans een oliemaatschappij) heeft gesloten met een “exploitant” van rechtswege eindigt bij een veiling van de betreffende rijksweglocatie. Het is dan ook niet zozeer de huurder/ondernemer die ernaar streeft dat de huurder onder deze definitie valt, maar de oliemaatschappij. Die is dan immers zonder enige vergoeding te hoeven betalen van zijn (onder-) huurder af.

    De Benzinewet is er duidelijk over wie een “exploitant” is: “een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een onderneming drijft wier werkzaamheden bestaan of mede bestaan uit de verkoop van motorbrandstoffen”. Dat is ook logisch, want de Benzinewet had/heeft als doel “het vergroten van de prijsconcurrentie op en het verruimen van de toetredingsmogelijkheden tot de markt van de verkoop van motorbrandstoffen langs wegen in beheer bij het Rijk”. Partijen die geen brandstoffen verkopen hebben daarmee dus niets van doen.

    Maar leer dan de oliemaatschappijen kennen. In de zaak die u allemaal kent uit de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 februari 2020 (ECLI:NL:GHSHE:2020:335) beweert NRGValue dat de huurder van de shop die een vaste vergoeding ontving voor het in de shop afrekenen van de Esso-brandstoffen nog altijd een “exploitant” was. Dan eindigde de overeenkomst met deze (onder-) huurder immers van rechtswege op 31 december 2017 en had deze geen huurbescherming. De kantonrechter en het gerechtshof gaven de NRGValue gelijk. Maar deze zaak ligt bij de Hoge Raad, en in de loop van 2021 zal duidelijk worden of de beslissing van het gerechtshof in stand blijft.

    In de zaak waarin ik deze dagen op pad was, gaat Kuwait Petroleum nog een stapje verder, door te beweren dat ook de huurder van een shop bij een onbemande Tango-rijksweglocatie nog een “exploitant” is. Deze huurder van een winkeltje langs de snelweg heeft helemaal niets met de verkoop van de brandstoffen te maken. Kuwait heeft deze locatie (door het gebruikmaken van de topdeelregeling uit de Benzinewet) kunnen behouden in de veiling van 9 september jl., en heeft de shop vervolgens voor de hoofdprijs aan een andere partij onderverhuurd. Met een kort geding probeert zij de huidige huurder de shop per 8 december a.s. te laten ontruimen. Ik heb mijn best gedaan de rechter ervan te overtuigen dat mijn cliënt geen “exploitant” is, en dat de Benzinewet het huurrecht van mijn cliënt dus niet heeft aangetast. Ik ben benieuwd of dat is gelukt. Voor de rechter was deze materie helemaal nieuw. Het vonnis wordt op 7 december a.s. verwacht.

     

    Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp. Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.

     

  • Dirk van den Berg in Pompshop: Adviesprijs nog steeds niet exit?

    Dirk van den Berg in Pompshop: Adviesprijs nog steeds niet exit?

    In mijn column in het juninummer van 2013, dus ruim 7 jaar geleden, stelde ik de adviesprijzen en de – toen al – uit de pan rijzende kortingen daarop aan de orde. Ik moet helaas constateren dat het, na 7 magere jaren, alleen maar slechter is geworden voor de dealers en exploitanten.

    Aan de doorsnee automobilist is het bijna niet meer uit te leggen. Geregeld krijg ik (als ‘branchedeskundige’) de vraag hoe het toch kan dat je bij het ene tankstation (meestal langs een rijksweg) geen korting krijgt, en bij het andere zo 15 cent. Ik probeer het dan toch maar weer.

    Allereerst leg ik uit dat uitbaters van tankstations (oliemaatschappijen, dealers en exploitanten) experimenteren met het kortingsniveau, en bekijken wat de korting met de brandstoffendoorzet doet. Leidt een cent meer korting (dus ongeveer 0,8 cent minder marge) tot veel meer liters, dan loont dat. Vooral omdat elke verkochte liter ook leidt tot extra bestedingen in de shop. Leidt het terugschroeven van de korting niet tot een daling van de liters, dan is dat nog beter.

    Maar meer nog dan dat speelt het verschil in contractsvoorwaarden. Een dealer die inkoopt op basis van Platts is veel beter in staat om mee te gaan met de kortingen die oliemaatschappijen op (sommige van hun) eigen stations geven dan een dealer die een afspraak heeft op basis van een korting op de adviesprijs.

    Zo was een cliënt van mij vorig jaar nog zeer te spreken over de aanbieding die Shell hem deed, van 19 cent (exclusief btw) op de adviesprijs. Hij geeft 13 cent (inclusief btw) korting op benzine, dus hij houdt nog ongeveer 7,5 cent (exclusief btw) op een liter over. Maar een korting aan de pomp van 13 cent is vandaag de dag – na het instorten van de olieprijs en het maar gedeeltelijk meebewegen van de adviesprijzen – geen publiekstrekker meer. Het is helemaal niet zo lang zoeken naar een Shell-pomp die 15 cent korting geeft. Om over andere merken nog maar te zwijgen.

    Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp. Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.

  • Dirk van den Berg in Pompshop: Fysiek feestje

    Dirk van den Berg in Pompshop: Fysiek feestje

    Het was feestelijk. Afgelopen maandag mocht ik na twee maanden eindelijk weer naar de rechtbank voor een ‘fysieke’ zitting, een kort geding. Misschien had de rechtbank hiervoor gekozen vanwege de logistieke complexiteit: er waren twee eisers (met verschillende advocaten), die ieder afwijkende vorderingen hadden tegen twee koppels gedaagden (een echtpaar en een aannemer en zijn B.V.). Voor de gedaagden had zich nog geen advocaat gemeld. Het zou knap lastig zijn geweest om via Skype, Teams, Meet of Zoom (HouseParty wordt in zakelijke omgevingen eigenlijk niet gebruikt) niet alleen oog te houden op de rechter maar ook op de twee wederpartijen en mijn ‘medepartij’. En maar hopen dat de verbinding niet zou uitvallen.

    Maar gelukkig niets van dat alles dus. Na een binnen de rechtbank uitgezette eenrichtingsroute kon ik mij melden bij een balie die inmiddels was voorzien van plexiglas kuchscherm. Zowaar bleek daar ook een advocaat voor het gedaagde echtpaar aanwezig te zijn. Van de medewerkster achter de balie (nog altijd ‘bode’ genoemd) kregen we instructies waar straks in de rechtszaal op gepaste afstand van elkaar te gaan zitten.

    De rechtszaal was ongeveer 10 bij 10 meter. Aan de ene kant van de zaal zaten de rechter en de griffier op een verhoging. Daar tegenover waren van links naar rechts met ruim 1,5 meter afstand voor de advocaten drie tafels met daarbij een stoel neergezet. Daar achter (ook weer ruim 1,5 meter verder) stonden stoelen voor de cliënten. Normaal zit een cliënt naast zijn advocaat, nu dus een paar meter daar achter. Het was allemaal even wennen, maar veel beter dan via een beeldverbinding.

    De vordering van mijn cliënte en de medepartij betrof een bouwstop. De gedaagden waren de eigenaren van het huis tussen de panden van de beide eisers in. Zij waren zonder toestemming van hun buren begonnen met het herstel van de (volgens hen) slechte fundering van de gemeenschappelijke bouwmuren. De wet (artikel 67 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek) is er duidelijk over dat dergelijke werkzaamheden alleen mogen plaatsvinden met toestemming van de mede-eigenaren. Volgens de gedaagden was mijn cliënte van alles op de hoogte, en konden zij dus hun gang gaan.

    Nadat alle partijen hun zegje hadden gedaan en de rechter enkele kritische vragen had gesteld, was het haar duidelijk dat het echtpaar de benodigde toestemming niet had. De rechter was er dan ook niet van gecharmeerd dat de aannemer al met de werkzaamheden was begonnen, en al helemaal niet van de omstandigheid dat er was doorgewerkt nadat ik zowel de eigenaren als de aannemer een aangetekende brief had gestuurd waarin ik hen had gesommeerd met de werkzaamheden te stoppen totdat een door partijen gezamenlijk aan te wijzen onafhankelijke deskundige zou hebben geadviseerd over de vraag of en zo ja hoe de werkzaamheden zouden kunnen worden verricht zonder schade toe te brengen aan de belendende panden.

    Zonder dat zij een vonnis hoefde te wijzen dwong de rechter van de gedaagden de toezegging af dat zij niet verder zouden bouwen totdat de gezamenlijk te benoemen deskundige zijn ei zou hebben gelegd over de vraag of de fundering van de gemeenschappelijke muur zo slecht is dat deze opnieuw moet worden gefundeerd, en zo ja, hoe. Met de zitting was het doel – de bouwstop – bereikt, en er hoeft alleen een vonnis te worden gewezen als de partijen er onderling (opnieuw) niet uitkomen.

    Terugkijkend op deze zitting en de weg daarnaartoe prijs ik mij gelukkig met mijn benzinestations-praktijk, waarin ik meestal te maken heb met grote wederpartijen die zich (te) uitgebreid juridisch laten adviseren voordat zij tot daden overgaan, en maar weinig met – niet door juridische kennis gehinderde – particulieren.

    Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp. Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.

  • Dirk van den Berg in Pompshop: Huurrecht in tijden van corona 2

    We zijn een maand verder. Een maand waarin de horeca dicht blijft, maar scholen en winkels voorzichtig weer open gaan. De tankstations zijn steeds open geweest, maar er wordt zo weinig gereden – we houden ons immers allemaal braaf aan de opdracht thuis te blijven – dat de omzet van tankstations gemiddeld met ongeveer 40% is teruggelopen. Elektrische rijders zijn kennelijk nog iets gehoorzamer dan de gebruikers van fossiele brandstof, want de omzet van Fastned liep in dezelfde periode met maar liefst 70% terug.

    Verschillende van mijn cliënten hebben de afgelopen jaren de exploitatie van hun tankstations uitbesteed aan oliemaatschappijen, die daarvoor veel geld over hadden. Het verbaast mij dan ook enigszins dat de grootste spelers in de markt amper twee weken na de instelling van de intelligente lockdown al brieven aan hun verhuurders – vaak particulieren of familievennootschappen – stuurden waarin zij vroegen om uitstel van huurbetalingen en/of verlaging van de huurprijs. Ik vind een dergelijk verzoek wat voorbarig, omdat deze bedrijven een teruggang in omzet van 20 a 25% procent per jaar zonder al te veel problemen zouden moeten kunnen opvangen. En als dit jaar gedurende drie maanden de omzet zou terugvallen tot 50%, dan leidt dat op jaarbasis tot “slechts” een terugval van 12,5%. Ondernemersrisico, zou ik zeggen. Maar de olieboeren zijn in goed gezelschap. De grootste bierbrouwers en kledingmagnaten doen immers hetzelfde.

    In een groot aantal gevallen geeft de huurovereenkomst zelf al uitsluitsel over de gevolgen die een aanzienlijke terugval van de omzet voor de huurprijs heeft. Vaak wordt een half jaar bij de contractsluiting gezien als een periode dat het heel slecht moet gaan voordat de huurder een recht op huurprijsvermindering heeft. De huurder moet dan doorgaans wel aantonen “dat de exploitatie van het huurobject gedurende een aaneengesloten periode van zes maanden of langer zodanig wordt belemmerd dat voortzetting ervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer van huurder kan worden gevergd”. De huurder die een dergelijk artikel heeft bedongen, zou vanwege de coronamaatregelen gebruik kunnen maken van de tussentijdse beëindigingsmogelijkheid. Maar wil die huurder dat ook? Minder betalen ja, maar de sleutel inleveren juist als de omzet (hopelijk) weer de goede kant opgaat?

    Dezelfde bepaling komt ook voor maar dan beperkt tot “fysieke overheidsmaatregelen, zoals een wegafsluiting”. Een dergelijke bepaling is niet direct van toepassing op de huidige situatie. Maar betekent dat dan dat de contractspartijen hebben afgesproken dat bij een “niet-fysieke overheidsmaatregel” de overeenkomst en de huurprijs in stand moeten blijven?

    In weer andere contracten is er een ondergrens in de literdoorzet afgesproken. Dergelijke drempels liggen vaak vrij hoog (dus de liters erg laag). Bij stations die normaal een doorzet van ongeveer vier miljoen liter hebben, heb ik verschillende keren meegemaakt dat een ondergrens van één miljoen liter wordt afgesproken. De daling moet dan wel “structureel” zijn en moet door middel van een accountantsverklaring worden aangetoond. Ook is in een dergelijke afspraak altijd opgenomen dat de daling niet aan de huurder te verwijten mag zijn.

    In het geval er niets is geregeld over de omstandigheden waaronder de huurprijs kan worden verlaagd als gevolg van een omzetdaling die niet aan de huurder te wijten is, kan de huurder op termijn – maar dan denk ik aan een periode van zes maanden of meer waarin de omzet met tenminste de helft is teruggevallen – een poging wagen om bij de rechter vermindering van de huurprijs te vorderen op de grond dat er als gevolg van deze onvoorziene omstandigheden een wanverhouding is ontstaan tussen de wederzijdse prestaties en de verhuurder naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet meer mag verwachten. Een dergelijke vordering kan niet worden weggecontracteerd. Wel ligt de lat voor een dergelijke vordering erg hoog (en hoger naarmate de verhuurder groter en de huurder kleiner is).

    Als de huurovereenkomst wel een bepaling voor tussentijdse beëindiging maar niet voor aanpassing van de huurprijs bevat, dan kan de huurder de opzegmogelijkheid uiteraard aangrijpen om te onderhandelen over voortzetting van de huurovereenkomst tegen een lagere huur. Die huurder neemt dan wel een gok. Een concurrent zou de crisis immers kunnen aangrijpen om de verhuurder een beter bod te doen, en een huurder die zelf opzegt heeft geen huurbescherming meer. Wie geen nieuwe huurder heeft klaarstaan (en zelf niet aan de pomp wil gaan staan) adviseer ik om zijn huurder niet te laten stikken. Waar niets is, verliest de keizer immers zijn recht.

    Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp. Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.

  • Dirk van den Berg in Pompshop: Recht in tijden van corona

    De avond dat ik deze column schrijf (16 maart 2020) is een historische. De Minister-President hield een toespraak die live op radio en televisie werd uitgezonden. De vorige keer dat dit gebeurde is ruim 46 jaar geleden. Joop den Uyl sprak het volk toe op 1 december 1973 nadat zijn kabinet onder andere had besloten dat benzine alleen nog op de bon te verkrijgen zou zijn. De oliecrisis trof de tankstationbranche toen zwaar.

    Mark Rutte maakte vanavond geen nieuwe maatregelen bekend. Hij lichtte de maatregelen toe die zijn ministers Slob en Bruins een dag eerder hadden afgekondigd om de verspreiding van het coronavirus af te remmen: sluiting van alle scholen en horecagelegenheden. Ongekend ingrijpende maatregelen. En hij kondigde een steunprogramma aan voor de ondernemers – waaronder zzp-ers – die het hardst door de overheidsmaatregelen worden getroffen. De meeste Nederlanders vinden dat hij het goed deed. Ik ook.

    In deze coronacrisis zijn verschillende beroepen binnen de brandstoffenbranche uitdrukkelijk als “cruciaal” bestempeld om onze samenleving draaiende te houden. “Transport van brandstoffen zoals kolen, olie, benzine en diesel, etcetera” komt voor op de door de Rijksoverheid op internet gepubliceerde lijst. Zou het afleveren/afrekenen daarvan er ook onder vallen?

    Mijn beroep wordt in ieder geval niet als cruciaal gezien. Vandaag werd bekend dat de rechtbanken met ingang van 17 maart voor tenminste drie weken gesloten zullen zijn. Ook dat is ongekend. Tot en met 6 april vinden er in principe geen rolzitting en mondelinge behandelingen meer plaats. Korte gedingen –naar hun aard spoedeisend – gaan alleen door in geval van “superspoed”. En als er toch een zitting wordt gehouden, dan wordt dat bij voorkeur digitaal (via Skype of Facetime) gedaan. Vonnissen kunnen wel worden uitgesproken. Voor uitspraak “in het openbaar” is geen publiek nodig.

    Intussen is het de vraag welke door de coronacrisis getroffen ondernemers nog aan hun contractuele verplichtingen kunnen en/of moeten voldoen. Er zijn al meer dan 20.000 verzoeken tot werktijdverkorting ingediend en eigenaren van (bijvoorbeeld) horecavastgoed worden overspoeld met verzoeken van door de gedwongen sluiting getroffen ondernemers om geheel of gedeeltelijk te worden vrijgesteld van de huurbetalingsverplichting.

    Of de verhuurder aanspraak kan maken op de (volledige) huur is niet met een eenvoudig “ja” of “nee” te beantwoorden. Een huurder kan de rechter verzoeken de huurprijs te verminderen in verband met een “gebrek”. De wet (artikel 204 van Boek 7 BW) definieert een gebrek als “een staat of eigenschap van de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid” waardoor het huurgenot van de huurder wordt verminderd. De huurder van een gesloten café of restaurant heeft van de bedrijfsruimte uiteraard geen “genot”, maar is er sprake van een gebrek? Waarschijnlijk niet. De verhuurder kan zich verweren met de stelling dat sprake is van een feitelijke stoornis door een derde. Het is vaste rechtspraak dat tegenvallende bezoekersaantallen in een winkelcentrum onder het ondernemersrisico van de huurder vallen. Aan de andere kant kan het “naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn” als de verhuurder aanspraak blijft maken op de (volledige) huur als deze onvoorziene en extreme omstandigheden langere tijd blijven aanhouden.

    Kortom, moeilijke en onzekere tijden voor ons allemaal. De rechter geeft voorlopig niet thuis, dus we zullen er onderling uit moeten komen. Wél beloofde Mark Rutte vanavond om “alles op alles (te zetten) om ervoor te zorgen dat bedrijven niet omvallen door wat er nu gebeurt en dat mensen hun baan niet verliezen” en ons niet in de steek te laten. Ik ben benieuwd hoe dat concreet gaat worden ingevuld.

    Wanneer u dit leest – dit blad komt pas op 31 maart uit – zullen er hopelijk positieve gevolgen te zien zijn van het medio maart ingezette beleid om de coronacurve af te vlakken (“flatten the curve”), zijn de tankstations nog open en houdt u de samenleving (al dan niet met overheidssteun) nog draaiende. Ik sluit af met de slotwoorden van Mark Rutte: Ik reken op u.

    Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp. Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.

  • Dirk van den Berg in Pompshop: De aard van het beestje

    Dirk van den Berg in Pompshop: De aard van het beestje

    De aard van het beestje

    10 april 2019, door Dirk van den Berg

     

    Een half jaar geleden ben ik na ruim 20 jaar van kantoor gewisseld. Binnen mijn nieuwe kantoor is er een ruime ervaring in retail (‘gewone’ winkels) maar werd er niet of nauwelijks gewerkt voor de tankstationbranche. Mijn kantoorgenoten zien op de zakenlijst nieuwe namen verschijnen, in het pand nieuwe gezichten en op de website van kantoor columns over nieuwe onderwerpen. Een belangstellende collega van mij vroeg mij deze week in het voorbijgaan of ik de tankstationhouder – u dus – voor haar kon typeren. Ik kon dat niet direct, maar het bleef in mijn hoofd rondspoken. Deze column is daarvan de uitkomst.

    De gedachte van mijn collega was dat tankstationhouders een voorliefde zouden hebben voor verlaten en soms wat lugubere plekken, omdat tankstations zich vaak langs de snelweg of aan de rand van een stad (“net voordat de ongerepte natuur begint”) bevinden. Zij associeert uw bestaan ook met stillevens van de Amerikaanse schilder Edward Hopper uit de jaren ’50 of de legendarische scene bij het benzinestation uit de film The Birds van Hitchcock (1963). Haar gedachte is dus wel te verklaren, maar staat ver van mijn dagelijkse praktijk.

    Ik heb de afgelopen jaren een groot aantal ondernemers uit de tankstationbranche leren kennen als betrokken ondernemers. In de eerste plaats zijn ze natuurlijk betrokken bij hun onderneming en hun personeel, maar ook bij de maatschappij (en dan bedoel ik niet de “olie’s” zoals Edsko Schuitema ze altijd noemde, maar de wereld waarin wij leven). Ik ken er zelfs een paar met een elektrische auto.

    Toen ik aan het begin van dit millennium de praktijk overnam van mr. Leonard Pels Rijcken, bestond de cliëntenlijst vooral uit exploitanten die één of twee stations van een oliemaatschappij huurden. Deze ‘exploitanten oude stijl’, soms van echte papa-mama-stations die met hun gezin leefden van de inkomsten uit één station, zijn vrijwel uitgestorven of met pensioen gegaan, ofwel nadat de oliemaatschappij hen had uitgekocht, ofwel nadat een meer actieve (of zo u wilt activistische?) ondernemer zich in de plaats had laten stellen (die procedures heb ik een paar jaar geleden ook veel gedaan).

    De ondernemers die vandaag de dag actief zijn in de branche zijn echte ondernemers – vaak de nieuwe generatie – die aan het hoofd staan van >ondernemingen die stuk voor stuk innovatief zijn. Sommige onderscheiden zich door heel goed gesorteerde shops, anderen maken weer meer werk van horeca en verantwoorde (streek-) producten en/of werkplekken (aan de brandstof zelf verdient vrijwel niemand meer iets). Tegelijkertijd is er een groep die is ingegaan op het aanbod van een oliemaatschappij of leverancier om het station aan deze partij te verhuren. Daardoor treed ik nu ook veel voor verhuurders van tankstations op. Als de locatie goed genoeg is, kan er met onderhandelingen veel worden bereikt.

    De aard van het beestje is dus behoorlijk divers, maar de grote gemene deler is toch wel dat zij hart voor de zaak hebben en innovatief zijn. Het liefst werk ik zelf met ondernemers die meedenken en in zekere mate kritisch zijn. Daarmee heb ik ook de beste resultaten behaald. Als advocaat ben je immers voor een groot deel afhankelijk van de feiten, en het is prettig als je die niet zelf hoeft te verzinnen. Wat ik vooral fijn vind aan de tankstation-ondernemers die ik bijsta, is dat zij (in de meeste gevallen) afgaan op mijn juridische oordeel, en willen meegaan in de strategie die ik voor hen uitstippel. Dat is nog wel eens anders als je – bij voorbeeld – een multinational adviseert.

    Maar – en ik vrees dat collega Mirjam mij hier ook op zal wijzen als ze dit leest – nu betrap ik mij erop dat het inmiddels helemaal niet meer gaat over u, maar over de aard van een ander beestje. Tot de volgende keer.

    Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp. Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.

     

  • Dirk van den Berg in Pompshop: Tegen de stroom in voor koffie en broodjes…

    Dirk van den Berg in Pompshop: Tegen de stroom in voor koffie en broodjes…

    Het was even stil, maar op 23 januari jl. heeft de Raad van State uitspraak gedaan in de zoveelste ‘battle’ tussen Fastned en de pomphouders. Fastned wil op haar laadpunten (zij heeft er in Nederland nu ongeveer 70) gebouwtjes neerzetten waar haar klanten naar de wc kunnen en koffie en broodjes kunnen kopen. De pomphouders zien dat als oneerlijke concurrentie, omdat het inbreuk maakt op hun vergunning.

    Voor het bouwen op een verzorgingsplaats is een vergunning nodig op grond van de Wet Beheer Rijkswaterstaatswerken (Wbr). De Minister van Infrastructuur en Milieu verleent zo’n vergunning (of niet). De strijd spitst zich op dit moment toe op twee locaties: Velder (bij Boxtel) en De Horn (bij Medemblik).

    In de zomer van 2015 weigerde de Minister de door Fastned gevraagde vergunning voor de locatie Velder, en in het voorjaar van 2016 voor De Horn. Fastned heeft daartegen bezwaar ingesteld, maar de bezwaren zijn door de Minister van tafel geveegd. Bij de rechtbank Amsterdam had Fastned meer succes: de rechtbank heeft de beroepen op 4 juli 2017 gegrond verklaard en de Minister opgedragen om binnen zes weken opnieuw op de bezwaren te beslissen. Dat heeft zij in augustus 2017 gedaan: op 22 augustus 2017 heeft de Minister de vergunning voor De Horn alsnog verleend en op 29 augustus 2017 heeft zij die voor Velder opnieuw geweigerd.

    Tegen de beslissing van de Rechtbank hebben de Vereniging voor Particuliere Rijkswegvergunninghouders (VPR) en de belanghebbende vergunninghouders op de locaties Velder (EG Retail) en De Horn (Tinq) beroep ingesteld bij de Raad van State. Daarin is nu uitspraak gedaan. De Raad van State heeft daarin direct ook de nieuwe besluiten van 2017 meegenomen.

    De Raad van State beoordeelde eerst de beslissing van de rechtbank waarin de Minister werd opgedragen haar huiswerk over te doen. De Minister had de vergunningen onder andere afgewezen met het argument dat Fastned van de eigenaar van de grond (de Staat) toch de benodigde privaatrechtelijke toestemming niet zou krijgen omdat de Benzinewet daaraan in de weg zou staan: de zogenaamde “evidente privaatrechtelijke belemmering”. Net als de rechtbank wees de Raad van State deze redenering van de hand. De Raad oordeelde dat een Wbr-vergunning slechts kan worden geweigerd “ter bescherming van waterstaatswerken en ter verzekering van een doelmatig en veilig gebruik van die werken”, en dat van zo’n evidente belemmering geen sprake was,  onder meer omdat daarover nog een procedure loopt.

    Ook de andere argumenten van de vergunninghouders – onder andere dat de “Kennisgeving Voorzieningenbeleid op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen” zoals gewijzigd in 2013, aanvullende voorzieningen bij laadpunten onmogelijk maakt – verwierp de Raad van State. De Raad overwoog uitdrukkelijk dat per geval zal moeten worden beoordeeld of aanvullende voorzieningen het doelmatig en veilig gebruik van de verzorgingsplaats aantasten, en dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de Minister de vergunningen niet op de genoemde, algemene, gronden kon weigeren.  

    In het nieuwe besluit over Velder heeft de Minister de vergunning opnieuw geweigerd op grond van veiligheids- en doelmatigheidsoverwegingen. De Raad van State heeft die die weigering opnieuw vernietigd, omdat de Minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de vergunning uit oogpunt van doelmatig gebruik van de verzorgingsplaats niet kan worden verleend. De Minister moet haar huiswerk opnieuw overdoen.

    In het nieuwe besluit over De Horn heeft de Minister de vergunning wél verleend. De Minister kon niet echt anders, omdat er op De Horn veel ruimte is, en er behalve benzine en diesel niets te koop is. De op de Benzinewet gebaseerde bezwaren van de pomphouders gaan reeds daarom niet op. De Minister acht de door Fastned gewenste voorzieningen zowel doelmatig als voldoende veilig; ook de klanten van Tinq kunnen er gebruik van maken. De Raad van State heeft in de uitspraak van 23 januari jl. de vergunning in stand gelaten. Die is hiermee onherroepelijk geworden, en Fastned heeft de slag om deze locatie gewonnen.  Of er in het winderige Noordhollandse landschap enige eer (en winst) is te behalen met een shop blijft echter de vraag.

    Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp. Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.

  • Dirk van den Berg in Pompshop: Gebouwd of niet gebouwd, dat is de vraag

    Dirk van den Berg in Pompshop: Gebouwd of niet gebouwd, dat is de vraag

    Een recent gepubliceerde uitspraak over een onbemand tankstation in Oisterwijk laat weer eens zien dat het opstellen van een eenduidig huurcontract niet eenvoudig is. De partijen verschilden van mening over wat er was verhuurd: een tankstation of onbebouwde grond. Het onderscheid is van groot belang: de huurder van een tankstation is in hoge mate beschermd; de huurder van grond is ‘vogelvrij’.

    In deze zaak heeft (een rechtsvoorganger van) Tamoil in 1993 voor 10 jaar een perceel met daarop een door de vorige huurder (BP) gebouwd onbemand tankstation gehuurd. De partijen zijn het erover eens dat de huurder “de pompen en de automaat en de andere aanwezige zaken, waaronder een luifel” van BP heeft overgenomen. Over de ondergrondse installatie zijn geen afspraken gemaakt. In 2002 gaat een nieuwe huurovereenkomst in. Daarin wordt afgesproken dat Tamoil een Fuel POS, pompen en een luifel zal plaatsen, en dat deze haar eigendom zullen blijven. Ook deze overeenkomst is voor 10 jaar gesloten; daarna wordt hij telkens met een jaar verlengd, tot een van beide partijen opzegt op een termijn van 12 maanden.

    Tamoil wordt in december 2017 onaangenaam verrast door een opzegging per 31 december 2018. Zij heeft in 2016 nog investeringen in het tankstation gedaan, en meent met de verhuurder te hebben afgesproken dat zij nog lang mocht blijven huren. Via-via verneemt Tamoil dat de eigenaar heeft opgezegd omdat hij van een andere partij een hogere huurprijs kan krijgen. Tamoil betwist de geldigheid van de opzegging vanwege de lange duur van de huurovereenkomst, én omdat zij bereid is de door de derde geboden huurprijs te matchen. Het mag niet baten. De verhuurder had de nieuwe huurovereenkomst al getekend, en kon dus niet meer terug. Tamoil stelt dan dat zij bij het einde van de huurovereenkomst “het complete tankstation, inclusief de volledige ondergrondse tankinstallatie en verharding” zal wegnemen.

    De eigenaar heeft het gehele tankstation met ingang van 1 januari 2019 aan een nieuwe partij verhuurd, en vordert daarom in een bodemprocedure dat Tamoil op 31 december 2018 het station ontruimt met achterlating van alles. Tamoil verweert zich tegen de ontruiming.

    De kantonrechter oordeelt eerst over het huurregime, en sluit daarvoor (terecht) aan bij de uitspraak van de Hoge Raad hierover uit 2012 tussen De Haan en de Gemeente Rotterdam (ECLI:NL:HR:2012:BW7172): wanneer een huurder van onbebouwde grond daarop een tankstation bouwt, dan blijft het regime “huur van onbebouwde grond”. Ook bij opvolgende huurovereenkomsten wordt dan uitsluitend grond verhuurd, tenzij partijen uitdrukkelijk iets anders afspreken. Het is bijzonder, maar als de Hoge Raad het zegt, dan moeten we het daarmee doen. De kantonrechter ziet hier geen afwijkende partijbedoeling, dus Tamoil huurt grond en wordt niet beschermd.

    Dan komt de stelling van Tamoil aan de orde dat de redelijkheid en billijkheid aan de opzegging in de weg staan. Daarover oordeelt de kantonrechter dat een huurder die “een overeenkomst als de onderhavige” sluit, erop bedacht moet zijn dat de verhuurder opzegt. De lange duur van de huurovereenkomst maakt dit niet anders. Ook de investeringen van Tamoil in 2016 baten haar niet: dan had Tamoil de afspraak over “langjarige zekerheid” maar op papier moeten laten zetten. De opzegging is dus geldig.

    Vervolgens honoreert de rechter het door Tamoil geclaimde wegbreekrecht (art. 7:216 BW) gedeeltelijk. Vanwege de tekst van de huurovereenkomst en haar commerciële belang mag Tamoil de Fuel POS, pompen en luifel verwijderen. De ondergrondse tanks en leidingen moet Tamoil laten zitten. Die behoren volgens de kantonrechter kennelijk tot het gehuurde.

    De kantonrechter licht in het geheel niet toe waarom hij het gehuurde desondanks geen “gebouwde onroerende zaak” vindt, maar deze uitkomst is wél in overeenstemming met de vorig jaar gepubliceerde uitspraak over het onbemande Tango tankstation op het Circuit Zandvoort. In die uitspraak (ECLI:NL:RBNHO:2017:11434) kwam de kantonrechter tot ditzelfde oordeel, omdat een ondergrondse tank met vloeistofdichte vloer naar normaal spraakgebruik geen “gebouw” is. Daar was geen luifel. Hier was hij er wel, maar behoorde hij niet tot het gehuurde. En dus was hij er ook weer niet.

    Confuus? Lees de hele uitspraak op www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBZWB:2018:6751.

    Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp. Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.

  • Dirk van den Berg in Pompshop: De Gele Hesjes zijn boos, maar waarover (niet)?

    Dirk van den Berg in Pompshop: De Gele Hesjes zijn boos, maar waarover (niet)?

    Vorige maand zag ik op de Franse televisie veel actievoerders in gele hesjes voorbijkomen. Ze bleken door het hele land blokkade-acties voor te bereiden. “Les gilets jaunes” (Frans voor gele hesjes) is hun geuzennaam. Ze strijden tegen hoge brandstofprijzen, volgens hen veroorzaakt door belastingverhogingen.

    De actie begonnen in september toen een oudere dame een online petitie lanceerde. Haar filmpje ging ‘viral’: het werd zes miljoen keer bekeken. In oktober kwam een vrachtwagenchauffeur met het plan voor een nationale blokkade. De overheid mocht automobilisten niet langer als “melkkoe” behandelen.

    De geuzennaam “gele hesjes” verwijst naar de beweging van de “rode mutsjes” (bonnets rouges) uit 2013, die met succes streed tegen invoering van een extra belasting voor het wegtransport. De tolpoortjes waren al geplaatst en het contract met de exploitant was al getekend toen de regering van president Hollande er toch van afzag. Het gevolg: grote schade voor de Franse schatkist, maar ook voor de reputatie van de president.

    Net als in 2013 is het niet eenduidig wat de actievoerders willen. Het begon met boosheid tegen de hoge brandstofprijzen, maar de protesten richten zich inmiddels ook tegen afgenomen koopkracht, hogere belastingen en zelfs president Macron. Hij wordt door de actievoerders als de schuldige gezien aan de stijging van de brandstofprijzen. De literprijs van diesel is sinds zijn aantreden in mei 2017 met 31 cent gestegen; die van loodvrij met 19 cent. Macron kan niet genoeg uitleggen dat het niet door hem komt, maar door de prijs van ruwe olie. Die was de afgelopen tijd door verschillende oorzaken hoog.

    Macron kan de schuld niet volledig afschuiven. De prijsstijging aan de pomp is wel degelijk mede een gevolg van het regeringsbeleid om de accijnzen op diesel geleidelijk te laten stijgen (al 7 eurocent voor diesel en 4 eurocent voor benzine) en automobilisten zo te stimuleren hun diesels in te ruilen voor schonere auto’s. Ongeveer 60 procent van de Fransen rijdt nu nog diesel. De Franse staat heeft dat ook jaren aangemoedigd.

    De belangrijkste eis van de Gele Hesjes is dat de voor januari 2019 aangekondigde verhoging van de accijns op brandstof (6,5 eurocent voor diesel en 3 eurocent voor benzine) niet doorgaat. De regering heeft al laten weten daaraan geen gehoor te geven. Zij vindt de maatregelen nodig om het dieselrijden terug te dringen en de Fransen aan te zetten tot schoner en minder rijden. Het geld wordt voor een deel gebruikt om inruilpremies te geven.

    De eerste actiedag van de Hesjes was een succes. Op 17 november hebben 300.000 demonstranten Frankrijk ontwricht door op 2.000 plaatsen blokkades op te werpen. Op de tweede actiedag, 24 november, was de animo lager. In heel Frankrijk kwamen iets meer dan 100.000 hesjes op de been. De regering verwacht dan ook dat de protesten spoedig afnemen.

    In Nederland zijn de accijnzen op dit moment nog hoger dan in Frankrijk. De dieselaccijns bedraagt op dit moment ruim 48 eurocent (34% van de prijs). Daarbovenop komt nog de BTW, zodat de consument 58 eurocent extra betaalt vanwege de accijns. Op benzine is de accijns nog hoger: ruim 77 eurocent (47% van de prijs), waar ook de BTW nog bovenop komt, wat de consumentenprijs ruim 93 eurocent hoger maakt.

    De protesten zijn overgeslagen naar (Franstalig) België, maar niets wijst er nog op dat de Hesjes ook in Nederland voet aan de grond krijgen. Misschien is de Nederlander met kleine beurs nuchterder dan zijn Franse evenknie, en ziet hij/zij wél in dat er geld nodig is voor de energietransitie. Vorige week lekte uit dat adviseurs van onze regering een subsidie van 6.000 euro aan particulieren willen geven bij aanschaf van een elektrische auto. Dat moet ergens van betaald worden.

    Voor de Nederlandse grenspomphouders is het in ieder geval goed nieuws dat de accijnzen in de buurlanden worden opgetrokken naar het Nederlandse niveau.

    Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp. Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.