Tag: column

  • Interview met Dirk van den Berg in vaktijdschrift Pompshop

    Interview met Dirk van den Berg in vaktijdschrift Pompshop

    Interview met Dirk van den Berg in vaktijdschrift Pompshop

    20 april 2022

     

    Dirk van den Berg adviseert is al ruim 20 jaar gespecialiseerd in tankstationzaken. Hij heeft een column in het vaktijdschrift Pompshop waarin hij maandelijks ingaat op een  juridisch onderwerp. In april 2022 verscheen onderstaand interview met Dirk in Pompshop.

    [pdf-embedder url=”https://www.actlegal-netherlands.com/wp-content/uploads/14-15_PSH3-2022_HetVak_DirkVDBerg_22jr-1-1.pdf” title=”14-15_PSH3-2022_HetVak_DirkVDBerg_22jr (1)”]

    [wpdm_package id=’56314′]

  • Dirk van den Berg in Pompshop: Huurregels van toepassing bij gemengde overeenkomst?

    Dirk van den Berg in Pompshop: Huurregels van toepassing bij gemengde overeenkomst?

    Huurregels van toepassing bij gemengde overeenkomst?

    28 maart 2022, door Dirk van den Berg

     

    In de uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch van 18 november 2021, waarover ik schreef in mijn column in het decembernummer van 2021 (“Voldoende serieus te nemen overleg”), speelde nog een interessante vraag, te weten of de wettelijke regels inzake de huurprijswijziging van bedrijfsruimte van toepassing zijn op een overeenkomst die naast een huurovereenkomst ook een andere in de wet benoemde overeenkomst is; in dit geval een agentuurovereenkomst. Daarop zal ik deze keer dieper ingaan.

    Het ging in die zaak om de exploitatie van een tankstation, waarbij de exploitant huur betaalt aan de eigenaar voor het gebruik van het object, maar ook een uitschenkvergoeding per verkochte liter brandstof ontvangt. De exploitant exploiteert voor eigen rekening en risico de shop met bakery en de wasfaciliteiten. Ten aanzien van de brandstoffen is de exploitant niet de verkoper, maar slechts een agent, een vertegenwoordiger van de verkoper, die in opdracht van de verkoper optreedt.

    De exploitant vond de bij aanvang van de huurovereenkomst overeengekomen huurprijs te hoog, en begon een procedure tot het verkrijgen van een huurprijsadvies, om vanaf vijf jaar na de ingangsdatum van de huurovereenkomst de huurprijs te kunnen aanpassen. De verhuurder verzette zich niet alleen met het processuele argument dat de exploitant niet voldoende overleg zou hebben gepleegd (zie de eerder genoemde column), maar ook met het technische argument dat de aard van de overeenkomst zich ertegen verzette de regels van het huurrecht toe te passen: volgens de verhuurder was het wettelijke regime van huurprijswijziging niet te verenigen met de contractsvrijheid van partijen binnen de gesloten overeenkomst van opdracht. Ook was het volgens de verhuurder vanwege het gemengde karakter van de overeenkomst niet goed mogelijk om geschikte vergelijkingsobjecten te vinden.

    De verhuurder knoopte aan bij een arrest van de Hoge Raad uit 2017 (ECLI:NL:HRL2017:405) waarin is beslist dat de partij die – na een openbare aanbesteding – de cateringdiensten in Kasteel Groeneveld (eigendom van de Staat) mocht verrichten geen aanspraak kon maken op huurbescherming, zodat het einde van de cateringovereenkomst meebracht dat ook het gebruiksrecht van de bedrijfsruimte eindigde. Volgens de Hoge Raad overheerste de overeenkomst van opdracht in die rechtsverhouding zodanig dat de daarbij behorende regels voor opzegging moesten worden toegepast. Einde oefening voor de cateraar dus.

    Het gerechtshof ging hierin – net als de kantonrechter – niet mee. Het oordeelde dat alle regels van de agentuurovereenkomst en de huurovereenkomst naast elkaar kunnen en moeten worden toegepast. Bij de huurprijsvaststelling kan immers rekening worden gehouden met de uitschenkvergoeding. Het hof constateerde bovendien dat de door de kantonrechter benoemde deskundige, die inmiddels zijn huurprijsadvies had afgeleverd, dat ook had gedaan.

    Lees de hele uitspraak op www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHSHE:2021:3472.

    Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp. Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.

     

  • Dirk van den Berg in Pompshop: Hoge Raad gaat mee in ‘share the pain’ gedachte

    Dirk van den Berg in Pompshop: Hoge Raad gaat mee in ‘share the pain’ gedachte

    Hoge Raad gaat mee in ‘share the pain’ gedachte

    11 januari 2022, door Dirk van den Berg

     

    Op 24 december jongstleden waren ze er, de lang verwachte antwoorden van de Hoge Raad op de door de kantonrechter te Roermond gestelde prejudiciële vragen over de gevolgen van de coronamaatregelen voor huurovereenkomsten van en horeca- en winkelbedrijfsruimte. En de Hoge Raad was kort en bondig, slechts 7 pagina’s!

    Ik was erg blij met de visie van de Hoge Raad, want – anders dan A-G Wissink had geadviseerd – kwam de Hoge Raad tot het oordeel dat de coronamaatregelen geen “gebrek” aan het gehuurde object opleveren. De sluiting van horeca- en andere bedrijfsruimten in het belang van de volksgezondheid beperkt de exploitatiemogelijkheden van 290-bedrijfsruimten wel, maar die sluiting heeft volgens de Hoge Raad geen betrekking op de verhuurde zaak. Ook volgt volgens de Hoge Raad niet uit de wetsgeschiedenis dat de huidige overheidsmaatregelen, die niet voorzienbaar waren, als een gebrek moeten worden aangemerkt. En precies dit heb ik in diverse artikelen geschreven.

    Omdat de sluiting van horeca en winkels volgens de Hoge Raad een onvoorziene omstandigheid is, die bovendien niet voor rekening komt van de huurder, kan een huurder die voor zijn omzet afhankelijk is van de komst van publiek via de rechter vermindering van de huurprijs verkrijgen. Dat geldt in ieder geval voor huurovereenkomsten die vóór 15 maart 2020 zijn gesloten.

    De grond voor aanpassing van de huurprijs is de verstoring van de waardeverhouding tussen de wederzijdse prestaties, die in dit geval noch in de risicosfeer van de huurder, noch in die van de verhuurder valt. Daarom wordt die verstoring volgens de Hoge Raad het beste ondervangen door het nadeel van de huurder (de “pijn”) – voor zover niet reeds gecompenseerd door de TVL – gelijk (dus 50/50) te verdelen over de verhuurder en de huurder.

    Voor de berekening van het nadeel, en de reparatie daarvan, sluit de Hoge Raad aan bij de vastelastenmethode die het Gerechtshof Amsterdam gebruikte in de uitspraak van 14 september 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:2728). Die methode kent vier stappen:

    1. De overeengekomen huurprijs wordt uitgedrukt in een percentage van het totaalbedrag aan vaste lasten.
    2. Het met dat percentage overeenstemmende deel van de TVL waarop de huurder aanspraak kan maken, wordt afgetrokken van het bedrag van de overeengekomen huurprijs.
    3. De procentuele omzetvermindering wordt vastgesteld door de omzet in de periode waarover de huurprijsvermindering berekend wordt (hierna: de lagere omzet) te vergelijken met de omzet in een vergelijkbaar tijdvak voorafgaand aan de coronapandemie (hierna: de referentieomzet) volgens de formule: 100% – (100% x (de lagere omzet / de referentieomzet)).
    4. Het met de verstoring van de waardeverhouding samenhangende nadeel wordt gelijk verdeeld over de verhuurder en de huurder (ieder 50% van het nadeel), tenzij uit de redelijkheid en billijkheid een andere verdeling volgt.

    Vervolgens kan het bedrag van de huurkorting worden berekend volgens de formule: (overeengekomen huurprijs – gedeelte van de TVL dat aan de huur wordt toegerekend) x percentage omzetvermindering x 50%.

    Deze antwoorden van de Hoge Raad geven handvatten aan rechters die moeten oordelen over een coronageschil, maar kunnen partijen ook helpen om de huurprijs in onderling overleg aan de gewijzigde omstandigheden aan te passen. Er zijn uitzonderingen mogelijk op de hierboven beschreven methode. De Hoge Raad overweegt letterlijk dat de redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat op grond van omstandigheden, bijvoorbeeld de grootte of financiële positie van een partijen, wordt afgeweken van de 50/50-verdeling van de pijn. Bij de beoordeling van deze bijzondere gevallen, denk aan een huurder die elders – of online – als gevolg van de coronamaatregelen veel betere omzetten heeft gemaakt of een verhuurder die nog harder is getroffen dan zijn huurder, kan het (veel langere) advies van A-G Wissink aan de Hoge Raad (55 pagina’s!) mogelijk een steun zijn.

    Wie de hele uitspraak wil lezen kan deze vinden via deze link: https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2021:1974.

    De veel uitgebreidere conclusie van A-G Wissink kan worden geraadpleegd via
    https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:PHR:2021:902.

    Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp. Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.

     

  • Derk van Geel in Advocatenblad: ‘Meerwaarde WCR twijfelachtig’

    Derk van Geel in Advocatenblad: ‘Meerwaarde WCR twijfelachtig’

    ‘Meerwaarde WCR twijfelachtig’

    25 oktober, Derk van Geel in Advocatenblad 2021-8

     

     

  • Asmara Kalter in Franchise+: Contracteren met voorbehouden

    Asmara Kalter in Franchise+: Contracteren met voorbehouden

    Contracteren met voorbehouden

    19 oktober 2021, door Asmara Kalter

    Dit artikel is tevens gepubliceerd op de website van Franchise+.

    Voorbehouden
    Bij onderhandelingen over de totstandkoming van een franchiseovereenkomst worden vaak “voorbehouden” gemaakt. Veelal zijn dat voorwaarden die in de weg staan aan de totstandkoming en/of werking van de overeenkomst. Een voorbeeld is het voorbehoud van goedkeuring van de overeenkomst door de aandeelhouders (‘subject to approval’-clausule). Of het voorbehoud tot ondertekening van de overeenkomst door alle partijen (‘subject to signature’-clausule).
    In de praktijk levert dit nog wel eens problemen op omdat het “voorbehoud” geen juridische term is die je in ons wetboek terugkomt. Hierdoor ontstaat vaak discussie over de vraag of en wanneer de franchiseovereenkomst nu daadwerkelijk tot stand is gekomen of zal komen.

    Totstandkomingsvoorwaarde
    Een voorbehoud kan een totstandkomingsvoorwaarde zijn. In dat geval is de overeenkomst nog niet tot stand gekomen, maar moet daarvoor eerst aan bepaalde voorwaarde zijn voldaan. Zo kan een financieringsvoorbehoud (‘subject to finance’-clausule) worden overeengekomen waaruit volgt dat de franchiseovereenkomst pas tot stand komt als de franchisenemer binnen een bepaalde termijn en conform andere overeengekomen vereisten de benodigde financiering heeft weten te verkrijgen om de overeengekomen investeringen te doen.

    Opschortende voorwaarde
    Als het voorbehoud een opschortende voorwaarde is, dan is de overeenkomst al wel tot stand gekomen, maar heeft deze nog geen juridische werking totdat een bepaalde gebeurtenis zich al dan niet voordoet. Bij een financieringsvoorbehoud zou dat betekenen dat de franchiseovereenkomst al wel tot stand is gekomen, maar daaraan geen werking toekomt zolang de vereiste financiering conform de overeengekomen voorwaarden niet is verkregen.

    Ontbindende voorwaarde
    Tot slot kan een voorbehoud als ontbindende voorwaarde worden vormgegeven. De overeenkomst is in dat geval tot stand gekomen én heeft werking, maar deze verliest zijn werking zodra een bepaalde omstandigheid zich al dan niet voordoet (de wet spreekt van het ‘vervallen’ van de verbintenissen). In het geval van een financieringsovereenkomst met een financieringsvoorbehoud kan dat betekenen dat wanneer de financiering niet binnen de overeengekomen termijn en conform de overige voorwaarden wordt verkregen, de franchiseovereenkomst zijn werking verliest.
    Let op: soms is bepaald dat de franchisenemer binnen een bepaalde termijn een beroep moet doen op de ontbindende voorwaarde én dat ook ‘goed gedocumenteerd’ moet doen (bijvoorbeeld door ten minste één financieringsafwijzing van een erkende bank te overleggen). In dat geval spreekt men eigenlijk niet meer van een ontbindende voorwaarde, maar eerder van een mogelijkheid tot ontbinding omdat er nog een actieve handeling van één van partijen is vereist. Hier ontstaat in de praktijk nogal eens verwarring over.

    Voorkom misverstanden en specificeer het voorbehoud
    Een voorbehoud kan juridisch gezien dus op verschillende manieren worden vormgegeven. Het is raadzaam om daar in de onderhandelingsfase goed bij stil te staan en daar duidelijke afspraken over te maken. Specifieer dus om welke van de bovengenoemde voorwaarden het gaat en of de overeenkomst door het in vervulling gaan van de voorwaarde daadwerkelijk tot stand komt, zijn werking krijgt of deze juist verliest.

  • Column Franchise+ Tip voor de franchisenemers: zorg voor een duidelijke goodwillbepaling in de franchiseovereenkomst

    Column Franchise+ Tip voor de franchisenemers: zorg voor een duidelijke goodwillbepaling in de franchiseovereenkomst

    Tip voor de franchisenemers: zorg voor een duidelijke goodwillbepaling in de franchiseovereenkomst

    1 juli 2021, door Katinka Verdurmen en Frédérique Sarneel

     

    Dit artikel is tevens gepubliceerd op de website van Franchise+.

    Inleiding
    Een franchiseovereenkomst moet voldoen aan de Wet Franchise. Deze verplicht de franchisegever in bepaalde gevallen om goodwill aan de franchisenemer te vergoeden bij het einde van de franchiseovereenkomst.

    Dat klinkt mooi, maar het is belangrijk dat u alert blijft op de tekst van de franchiseovereenkomst. Onder juristen bestaat discussie over de reikwijdte van de goodwillvergoedingsplicht. Wij leggen kort uit waarover de discussie gaat en geven u een tip om te voorkomen dat u aan het eind van de franchiseovereenkomst voor verrassingen komt te staan.

    Goodwillbepaling
    In een franchiseovereenkomst moet opgenomen zijn hoe wordt vastgesteld of er goodwill aanwezig is in de franchiseonderneming, welke omvang deze heeft en in welke mate deze goodwill aan de franchisenemer is toe te rekenen. De franchiseovereenkomst moet daarnaast in twee situaties bepalen hoe die goodwill aan de franchisenemer wordt vergoed, namelijk: “als de franchisegever de franchiseonderneming overneemt om zelfstandig voort te zetten, danwel over te dragen aan een derde met wie de franchisegever een franchiseovereenkomst sluit”.

    Discussie
    Vraag is wat wordt bedoeld met overnemen, danwel overdragen van de onderneming. Er lijken twee betekenissen mogelijk. De goodwillvergoedingsplicht:

    ziet alleen op de situatie dat de franchisegever de onderneming van de franchisenemer koopt, om deze zelfstandig voort te zetten, danwel door te verkopen aan een derde, of ziet op alle gevallen waarin de franchisegever op de locatie waar de franchisenemer gevestigd was conform de franchiseformule gaat exploiteren of een derde in staat stelt dat te doen. Niet is vereist dat de franchisegever de onderneming koopt. Het gaat om voortzetting van de exploitatie.

    De tweede betekenis lijkt het meeste aan te sluiten bij de bedoeling van de wetgever. Zij acht het onwenselijk dat de franchisenemer geen vergoeding krijgt voor door hem opgebouwde goodwill als de franchisegever – eventueel via een nieuwe franchisenemer – wel profiteert van die goodwill. In de toelichting bij de Wet Franchise wordt echter gesproken van de situatie dat de franchisegever de onderneming van de franchisenemer koopt. Daarom is onduidelijk hoe de wet precies moet worden uitgelegd.

    Tip
    Wij raden aan om in de franchiseovereenkomst op te nemen dat de franchisegever de aan u toe te rekenen goodwill aan u moet vergoeden, niet alleen bij koop van uw onderneming, maar ook bij andere vormen van voortzetting van de exploitatie van de formule op de locatie door of via de franchisegever.

    Katinka Verdurmen (managing partner) en Frédérique Sarneel (advocaat)
    act legal