Categorie: Huurrecht

  • Recht op huurvermindering voor hotelexploitanten wegens corona

    Recht op huurvermindering voor hotelexploitanten wegens corona

    Recht op huurvermindering voor hotelexploitanten wegens corona

    22 juli 2022, door Dirk van den Berg

     

    Uitbaters van hotels hebben het de afgelopen twee jaar niet gemakkelijk gehad. Een lichtpuntje voor huurders van hotelvastgoed: mogelijk kunnen zij een deel van hun huurlasten – met terugwerkende kracht – van hun verhuurder terugvragen.

    Onvoorziene omstandigheden, geen huurrechtelijk ‘gebrek’

    Op de website www.rechtspraak.nl is een vijftiental corona-uitspraken over de huurprijsvermindering van hotels gepubliceerd. Zoals vaker het geval is, zijn de zaken waarin is geprocedeerd het topje van de geschillen-ijsberg. Bijna twee jaar was het onduidelijk hoe huurders en verhuurders met de financiële consequenties van de coronamaatregelen moesten omgaan. Maar sinds de Hoge Raad op 24 december 2021 de door rechtbank Limburg gestelde prejudiciële vragen beantwoordde, weten we dat het ‘haakje voor huurvermindering’ onvoorziene omstandigheden heet, en welke formule partijen moeten gebruiken om te berekenen welk deel van de ‘coronapijn’ van de huurder voor rekening van de verhuurder komt.

    In een groot aantal uitspraken hebben lagere rechters de verminderde exploitatiemogelijkheden als een huurrechtelijk ‘gebrek’ aangemerkt, maar die figuur is volgens de Hoge Raad niet van toepassing. Met dat oordeel ben ik erg gelukkig, omdat naar mijn overtuiging het niet kunnen exploiteren niets te maken had met de verhuurde panden zelf, maar met het wegblijven van “het publiek” als gevolg van de overheidsmaatregelen.

    5 Corona-uitspraken over hotels

    In 2020 gaan vijf van de veertig gepubliceerde corona-uitspraken over (meest Amsterdamse) hotels. De meest in het oog springende uitspraak is uiteraard die van 17 juli 2020 over het prestigieuze W Hotel aan de Spuistraat in Amsterdam met een overeengekomen maandhuur die opliep van € 580.255,– in het voorjaar van 2020 tot € 833.333,– in oktober van dat jaar. De huurder vorderde in kort geding een machtiging om over de periode van 12 maart tot en met 15 juni 2020 geen huur te hoeven betalen, en slechts 25% van de huur over de periode van 16 juni tot en met het eind van het jaar. De voorzieningenrechter vond het aannemelijk dat de bodemrechter de huur over het tweede kwartaal van 2020 zou verlagen tot 50%, de huur over het derde kwartaal tot 60% en die over het vierde kwartaal tot 75%. Het meerdere hoefde de uitbater daarom niet te betalen totdat daarover in een bodemzaak definitief zou zijn geoordeeld. Die bodemprocedure moest wel binnen drie weken aanhangig worden gemaakt, anders zou het opschortingsrecht vervallen. Hoe die bodemprocedure is afgelopen heb ik op rechtspraak.nl niet kunnen vinden.

    Hotelexploitanten vingen ook een aantal keren bot in kort geding. Zo kregen op 17 juli 2020 en 27 augustus 2020 de exploitanten van het Museum Hotel en het Element Hotel van de voorzieningenrechter te Amsterdam het lid op de neus omdat zij niet aannemelijk konden maken dat hun omzetderving werd veroorzaakt door de coronacrisis. Element Hotel werd daarbij zelfs tot ontruiming veroordeeld, omdat zij na halvering van de huur over het tweede en derde kwartaal van 2020 nog steeds een huurachterstand van meer dan drie maanden had.

    In 2021 gingen de overheidsbijdragen die huurders konden krijgen een grotere rol spelen, zo ook in de uitspraak van de voorzieningenrechter te Amsterdam van 21 januari 2021 in de zaak van Swissôtel tegen haar verhuurder Dam Square. De exploitant van dit door de coronacrisis zwaar getroffen hotel vorderde in kort geding – grotendeels met terugwerkende kracht – opschorting van 50% van haar huurbetalingsverplichtingen over de periode vanaf 15 maart 2020. Voor zover zij meer had betaald dan 50%, vorderde zij dat terug. Aan de hand van de door Swissôtel overgelegde resultaten over heel 2020 oordeelde de rechter dat de verhuurder naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen recht had op volledige huurbetaling, omdat de coronacrisis de waardeverhouding tussen de wederzijdse prestaties ernstig had verstoord.

    Er waren toen al verschillende uitspraken (niet over hotels) gepubliceerd waarin de door de huurder te ontvangen Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) werd opgeteld bij de omzet die de huurder had weten te behouden. De verhuurder in deze zaak benaderde het iets anders en voerde aan dat de door Swissôtel (te) ontvangen TVL eerst van de verschuldigde huur moest worden afgetrokken en het restant van de huur 50/50 door beide partijen moest worden gedeeld. De kortgedingrechter ging daar niet in mee. Omdat Swissôtel een substantieel omzetverlies liet zien, en meer vaste lasten had dan alleen de huur, stond zij opschorting van 50% van de huur toe, met de kanttekening dat in de bodemprocedure – die Swissôtel  binnen een maand aanhangig moest maken – opnieuw zou worden gekeken naar de lasten en de opbrengsten. De gevorderde terugwerkende kracht werd in dit kort geding grotendeels afgewezen.

    Formule voor huurvermindering

    Swissôtel begon de bodemprocedure, maar ging ook in hoger beroep van de kortgedinguitspraak. Dat leidde tot de inmiddels fameuze uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 14 september 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:2728) waarin voor het eerst de op 24 december 2021 door de Hoge Raad geadopteerde formule voor huurvermindering is toegepast, te weten:

    Huurvermindering = (werkelijke vaste lasten – aanspraak TVL) x % huurdeel van Vaste Lasten x % omzetdaling x 50%.

    Het hof liet daarbij in het midden of sprake was van een “gebrek”. Amper twee weken na deze hofuitspraak haakte procureur-generaal bij de Hoge Raad Wissink in zijn conclusie van 30 september 2021 (ECLI:NL:PHR:2021:902) met zoveel woorden bij deze formule aan (hij kwam daar wel via de tussenstap van het gebrek). Vervolgens deed de kantonrechter op 5 november 2021 uitspraak in de bodemzaak volgens deze zelfde formule, waarbij zij wegbleef van de gebreksdiscussie.

    Op 24 december 2021 kwam ook de Hoge Raad met deze formule. De Hoge Raad overwoog dat een huurder die voor zijn omzet afhankelijk is van de komst van publiek, en als gevolg van de coronamaatregelen een gehuurde 290-bedrijfsruimte niet of slechts in geringe mate heeft kunnen exploiteren, op grond van onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 6:258 BW vermindering van de huurprijs kan verkrijgen als de huurovereenkomst vóór 15 maart 2020 is gesloten. De coronamaatregelen zijn volgens de Hoge Raad geen gebrek. De te nemen stappen zijn de volgende:

    1. Bepaal het percentage van de overeengekomen huurprijs ten opzichte van het totaalbedrag aan vaste lasten, te weten: de afschrijvingen op vaste activa machines, gebouwen, vervoermiddelen, software) en de overige bedrijfskosten (in ieder geval niet: inkoopwaarde van de omzet en de arbeidskosten).
    2. Laat het onder 1 gevonden percentage los op de TVL die de huurder kon verkrijgen.
    3. Verminder de overeengekomen huurprijs met het onder 2 berekende deel van het TVL-bedrag.
    4. Bereken het percentage van de omzetvermindering door de omzet in de periode waarover de huurprijsvermindering berekend wordt (hierna: de lagere omzet) per maand te vergelijken met de omzet in hetzelfde tijdvak in het laatste jaar voorafgaand aan de coronapandemie (hierna: de referentieomzet) volgens de formule: percentage omzetvermindering = 100% – (100% x (de lagere omzet: de referentieomzet)).
    5. Het tussen partijen te verdelen nadeel wordt gevonden door het percentage van de omzetvermindering gevonden onder 4 te vermenigvuldigen met de resterende huurprijs gevonden onder 3.
    6. Vervolgens wordt de huurprijs verminderd met 50% van dit nadeel, tenzij uit de in art. 6:258 lid 1 BW bedoelde redelijkheid en billijkheid een andere verdeling volgt.

    Ik realiseer mij dat twee jaar na dato veel huurders intussen afspraken met hun verhuurder zullen hebben gemaakt, die niet overeenkomen met deze methode. Als deze afspraken slechts zien op een gedeelte van de periode waarin de coronamaatregelen van kracht waren, zijn partijen aan die afspraak in principe gebonden. Mogelijk kan voor een periode waarover nog geen expliciete afspraken zijn gemaakt nog worden aangesloten bij de Hoge Raad-formule. Het is de moeite waard om te onderzoeken of dit het geval is.

    Heeft u vragen over huurvermindering in verband met corona? Aarzel niet om contact op te nemen met een van onze huurrechtspecialisten.

    https://www.actlegal-netherlands.com/huurrecht/

  • Track record Katinka Wave International adviseren huurgerlateerde zaken de wet Franchise

    Track record Katinka Wave International adviseren huurgerlateerde zaken de wet Franchise

    Adviseren van Wave International met de formules Cosmo hairstyling, Team kappers en Brainwash over diverse huurgerelateerde zaken waaronder de implementatie van de wet Franchise. 

  • Track record Katinka Amrâth Hotels & Restaurants adviseren procederen huurgerlateerde zaken

    Track record Katinka Amrâth Hotels & Restaurants adviseren procederen huurgerlateerde zaken

    Adviseren van en procederen voor Amrâth Hotels & Restaurants over diverse huurgerelateerde zaken.

  • Overweging rechtbank Rotterdam in uitspraak huurvermindering i.v.m. corona gekopieerd van Zeeland en West-Brabant

    Overweging rechtbank Rotterdam in uitspraak huurvermindering i.v.m. corona gekopieerd van Zeeland en West-Brabant

    Beter goed gekopieerd…

    8 april 2022, door Dirk van den Berg

     

    Op 11 maart 2022 heeft de kantonrechter te Rotterdam een vonnis gewezen over huurvermindering in verband met de coronamaatregelen voor een horecagroothandel. Deze uitspraak is interessant omdat er maar weinig uitspraken zijn over vorderingen tot huurvermindering bij 230a-bedrijfsruimte (ook wel “kantoorruimte” of “overige bedrijfsruimte” genoemd).

    Laat ik voorop stellen dat ik het volledig eens ben met dit vonnis van de kantonrechter. Het is volkomen terecht dat de rechter hetzelfde criterium aanlegt als de Hoge Raad heeft gedaan in zijn arrest van 24 december 2021. Anders dan sommigen menen ziet de uitspraak van de Hoge Raad in antwoord op de prejudiciële vragen van de kantonrechter Limburg niet op 230a-bedrijfsruimte. De Hoge Raad is daarvan (helaas) uitdrukkelijk weggebleven door (slechts) te overwegen dat de huurder van 290-bedrijfsruimte die afhankelijk is van de komst van publiek recht heeft op verlaging van de huurprijs wegens onvoorziene omstandigheden. Naar mijn mening is de redenering van de Hoge Raad wel één op één toepasbaar op de huurder van 230a-bedrijfsruimte die afhankelijk is van de komst van het publiek. Dat het bedrijf van de huurder niet valt onder de definitie van 290-bedrijfsruimte (in het kort: winkels, horeca en ambachten), terwijl de huurder wél afhankelijk is van de komst van publiek maakt mijns inziens niets uit.

    Deze Rotterdamse uitspraak was nieuw voor mij, maar kwam me toch bekend voor. Snel werd duidelijk waarom. De overwegingen blijken voor een groot deel te zijn gekopieerd uit het vonnis van 22 december 2021 van de kantonrechter Zeeland en West-Brabant in een zaak die ik met mijn kantoorgenote Frédérique Sarneel heb behandeld voor de verhuurder van een pand dat werd gebruikt als (jawel!) horecagroothandel. Een groot deel van overweging 7.12 in deze Rotterdamse uitspraak (ECLI:RBROT:2022:1842) is exact gelijk aan hetgeen de kantonrechter Zeeland en West-Brabant overwoog in rechtsoverweging 3.10 (ECLI:RBZWB:2021:6658). In het kort: deze huurster was niet afhankelijk van de komst van publiek en kon het gehuurde gewoon gebruiken.

    Interessant is dat ook letterlijk de veeg uit de pan is overgenomen dat de huurster niet aannemelijk had gemaakt (en zelfs niet had gesteld) – terwijl dat wel op haar weg had gelegen – dat zij haar bedrijfsvoering tijdelijk had aangepast door zich meer te richten op dat deel van de horeca dat niet of minder werd getroffen door de coronamaatregelen, of door de bedrijfsruimte te (laten) gebruiken voor de tijdelijke opslag van andere goederen. De huurster had op deze wijze zelf haar coronaschade maar moeten voorkomen.

    Het lijkt er dus op dat deze Rotterdamse aanpak in feite uit Breda afkomstig is. In ieder geval zal de Rotterdamse kantonrechter (of de griffier?) gedacht hebben “beter goed gekopieerd dan slecht bedacht”.

  • Dirk van den Berg in Pompshop: Huurregels van toepassing bij gemengde overeenkomst?

    Dirk van den Berg in Pompshop: Huurregels van toepassing bij gemengde overeenkomst?

    Huurregels van toepassing bij gemengde overeenkomst?

    28 maart 2022, door Dirk van den Berg

     

    In de uitspraak van het Gerechtshof Den Bosch van 18 november 2021, waarover ik schreef in mijn column in het decembernummer van 2021 (“Voldoende serieus te nemen overleg”), speelde nog een interessante vraag, te weten of de wettelijke regels inzake de huurprijswijziging van bedrijfsruimte van toepassing zijn op een overeenkomst die naast een huurovereenkomst ook een andere in de wet benoemde overeenkomst is; in dit geval een agentuurovereenkomst. Daarop zal ik deze keer dieper ingaan.

    Het ging in die zaak om de exploitatie van een tankstation, waarbij de exploitant huur betaalt aan de eigenaar voor het gebruik van het object, maar ook een uitschenkvergoeding per verkochte liter brandstof ontvangt. De exploitant exploiteert voor eigen rekening en risico de shop met bakery en de wasfaciliteiten. Ten aanzien van de brandstoffen is de exploitant niet de verkoper, maar slechts een agent, een vertegenwoordiger van de verkoper, die in opdracht van de verkoper optreedt.

    De exploitant vond de bij aanvang van de huurovereenkomst overeengekomen huurprijs te hoog, en begon een procedure tot het verkrijgen van een huurprijsadvies, om vanaf vijf jaar na de ingangsdatum van de huurovereenkomst de huurprijs te kunnen aanpassen. De verhuurder verzette zich niet alleen met het processuele argument dat de exploitant niet voldoende overleg zou hebben gepleegd (zie de eerder genoemde column), maar ook met het technische argument dat de aard van de overeenkomst zich ertegen verzette de regels van het huurrecht toe te passen: volgens de verhuurder was het wettelijke regime van huurprijswijziging niet te verenigen met de contractsvrijheid van partijen binnen de gesloten overeenkomst van opdracht. Ook was het volgens de verhuurder vanwege het gemengde karakter van de overeenkomst niet goed mogelijk om geschikte vergelijkingsobjecten te vinden.

    De verhuurder knoopte aan bij een arrest van de Hoge Raad uit 2017 (ECLI:NL:HRL2017:405) waarin is beslist dat de partij die – na een openbare aanbesteding – de cateringdiensten in Kasteel Groeneveld (eigendom van de Staat) mocht verrichten geen aanspraak kon maken op huurbescherming, zodat het einde van de cateringovereenkomst meebracht dat ook het gebruiksrecht van de bedrijfsruimte eindigde. Volgens de Hoge Raad overheerste de overeenkomst van opdracht in die rechtsverhouding zodanig dat de daarbij behorende regels voor opzegging moesten worden toegepast. Einde oefening voor de cateraar dus.

    Het gerechtshof ging hierin – net als de kantonrechter – niet mee. Het oordeelde dat alle regels van de agentuurovereenkomst en de huurovereenkomst naast elkaar kunnen en moeten worden toegepast. Bij de huurprijsvaststelling kan immers rekening worden gehouden met de uitschenkvergoeding. Het hof constateerde bovendien dat de door de kantonrechter benoemde deskundige, die inmiddels zijn huurprijsadvies had afgeleverd, dat ook had gedaan.

    Lees de hele uitspraak op www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHSHE:2021:3472.

    Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp. Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.

     

  • Track record Katinka adviseren Yves Rocher huurrecht franchise

    Track record Katinka adviseren Yves Rocher huurrecht franchise

    Adviseren van retailketen Yves Rocher op het gebied van huurrecht en franchise.

  • Track record Katinka advies Jump XL Services B.V. vastgoedrecht en franchise zaken

    Track record Katinka advies Jump XL Services B.V. vastgoedrecht en franchise zaken

    Adviseren van funpark keten Jump XL Services B.V. op het gebied van vastgoedrecht en franchise gerelateerde zaken, waaronder doorlopend advies over (nieuwe) huurcontracten, vastgoedontwikkeling, franchisecontracten.

  • Track record Katinka advies Action verschillende huurrecht gerelateerde kwesties

    Track record Katinka advies Action verschillende huurrecht gerelateerde kwesties

    Adviseren van retailketen Action inzake verschillende huurrecht kwesties.

  • Track record Katinka advies PB Capital huurrecht koop verkoop vastgoed

    Track record Katinka advies PB Capital huurrecht koop verkoop vastgoed

    Adviseren van vastgoed investeringsfonds PB Capital op het gebied van  huurrecht en over de koop en verkoop van vastgoed (woningen, bedrijfs- en winkelruimte).

  • Track record Katinka advies Mirage Retail Group huur vastgoed franchise zaken

    Track record Katinka advies Mirage Retail Group huur vastgoed franchise zaken

    Adviseren Mirage Retail Group over huur-, vastgoed- en franchise gerelateerde zaken.