Auteur: Dirk van den Berg

  • Dirk van den Berg in Pompshop: G(r)een Ontvankelijkheid

    Dirk van den Berg in Pompshop: G(r)een Ontvankelijkheid

    G(r)een Ontvankelijkheid

    1 november 2020, door Dirk van den Berg

     

    Mijn oog viel deze keer op de uitspraak van de voorzieningenrechter te Groningen van 17 september jl. in een bestuursrechtelijke aangelegenheid. Het bleek het groenste tankstation van Nederland te betreffen, dus ik vond het direct interessant.

    Wat is er aan de hand? Een zevental omwonenden van het tankstation Green Planet te Pesse (een dorp binnen de gemeente Hoogeveen) heeft bezwaar tegen de zogenaamde “truckfase 2” inclusief een truckparking en de opslag en aflevering van LNG en waterstof die daar wordt gerealiseerd. De aanvraag voor de omgevingsvergunning – in de volksmond nog steeds: bouwvergunning – is door Green Planet in september 2019 ingediend. Omdat het bouwplan niet past binnen het bestemmingsplan, is op de aanvraag de zogenaamde uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. Op 26 mei 2020 hebben B&W van de gemeente Hoogeveen een ontwerpbesluit tot het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning genomen. . Vast onderdeel van deze procedure is de mogelijkheid voor belanghebbenden om een zienswijze in te dienen tegen een ontwerpbesluit., Dit hebben de omwonenden dan ook gedaan op 2 juli 2020.

    In afwachting van de definitieve vergunning heeft Green Planet een aanvang gemaakt met voorbereidende werkzaamheden voor de aanleg van het waterstoftankstation. Dat was tegen het zere been van de omwonenden. Zij verzochten B&W van Hoogeveen bij brief van 15 augustus 2020 om handhavend op te treden tegen de werkzaamheden van Green Planet. Voor de beslissing op een dergelijk verzoek geldt geen wettelijke termijn, zodat ingevolge artikel 4:13van de Awb (Algemene wet bestuursrecht) een redelijke termijn geldt, die in ieder geval na acht weken verstrijkt. Artikel 4:14 Awb bepaalt dat indien niet binnen acht weken een besluit kan worden genomen, het bestuursorgaan dat aan de aanvragers moet meedelen, met vermelding van de termijn waarop zij de beslissing wel tegemoet kunnen zien. Mijn ervaring (met de gemeente Amsterdam) is dat de gemeente er nog acht weken bij telt.

    Die tijd gunden de omwonenden de gemeente Hoogeveen niet. Al twee dagen later, op 17 augustus, maakten zij bezwaar tegen de “fictieve weigering om handhavend op te treden” en op die dag verzochten zij ook een voorlopige voorziening (bestuursrechtelijk kort geding) bij de rechtbank.

    De zaak is op 10 september behandeld door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Groningen (waarom het niet in Assen is behandeld, is mij niet duidelijk; Hoogeveen ligt in Drenthe). De rechter overwoog dat de verzoekers het voor een kort geding vereiste spoedeisende belang hadden, omdat Green Planet (ook naar eigen zeggen) begonnen was met werkzaamheden die in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan. Vervolgens heeft de rechter onderzocht of de verzoekers wel “belanghebbenden” waren. Alleen ten opzichte van belanghebbenden wordt immers de reactie op een handhavingsverzoek als een besluit aangemerkt. En alleen tegen een besluit staat bezwaar en beroep open. In deze “ronde” vielen drie van de zeven verzoekers af vanwege de afstand van hun woningen tot het perceel waar de werkzaamheden plaatsvonden en het ontbreken van ieder zicht op dat perceel.

    De vier resterende verzoekers gingen door naar de volgende ronde: mochten zij de omstandigheid dat de gemeente binnen twee dagen nog niet op het verzoek had beslist opvatten als een fictief besluit tot weigering om handhavend op te treden? De rechter overwoog dat de redelijke termijn om te beslissen op een verzoek om handhaving korter is naarmate de mate van overtreding van de rechtsnorm –

    en daarmee de inbreuk op rechten van anderen – groter is. Door de gemachtigde van de verzoekers was erkend dat de voorbereidende werkzaamheden geen grote inbreuk op de rechten en belangen van de verzoekers opleverden. Voor mij niet geheel onverwacht oordeelde de voorzieningenrechter dan ook dat de redelijke termijn om op het handhavingsverzoek te beslissen ten tijde van het indienen van het verzoek om voorlopige voorziening nog niet was verstreken. De resterende vier verzoekers werden ook niet-ontvankelijk verklaard.

    Ik dank mijn kantoorgenoot Jasper Poortvliet (jasper.poortvliet@actlegal-fort.com) van onze sectie Bestuursrecht, voor wie deze procedures gesneden koek zijn, voor het tegenlezen van deze column.

     

    Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp. Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.

     

  • Dirk van den Berg in Pompshop: Het hele grote en het hele kleine

    Dirk van den Berg in Pompshop: Het hele grote en het hele kleine

    Het hele grote en het hele kleine

    1 oktober 2020, door Dirk van den Berg

     

    We hebben ons voor niets zorgen gemaakt over de rijkswegveiling van 9 september jl. Verschillende coryfeeën hebben de veilingresultaten al geanalyseerd, en geconcludeerd dat er ondanks Corona stevig is geboden op de veiling. Dat is goed nieuws voor de branche. En voor de Staat, die toch weer ruim € 80 miljoen heeft opgehaald: € 37,7 miljoen op de 11 locaties die voor de tweede keer zijn geveild (gemiddelde opbrengt dus € 3,4 miljoen) en € 42,6 miljoen op de 18 locaties die voor de eerste keer onder de hamer kwamen (gemiddeld dus € 2,4 miljoen). En dat terwijl Den Ruygenhoek Oost en West, behorend tot ’s Rijks toplocaties, daartussen zaten.

    De verklaring hiervoor is uiteraard dat de biedingen veel hoger waren (bij elkaar € 198 miljoen, dus gemiddeld € 11 miljoen per locatie), maar dat de zittende vergunninghouders rekenkundig € 155 miljoen aan compensatie terugontvingen voor het kwijtraken van hun eeuwigdurende vergunning. Het woord “rekenkundig” is in de vorige zin niet onbelangrijk, want doordat de oorspronkelijke vergunninghouders maximaal 30% van hun bod hoeven af te rekenen – de rest komt terug via de vestzak – is er sprake van een aanzienlijke ‘topdeelbubbel’. De één na hoogste biedingen zullen de werkelijke waarde van deze stations beter benaderen.

    EG was de ‘high roller’ en betaalde – na aftrek van de haar toekomende topdeelkortingen – € 36,5 miljoen voor de huurrechten van 8 rijksweglocaties. Dit is het bruggetje naar het tweede deel van deze column. Een dag later wees het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch een arrest in een zaak waarin EG procedeerde om € 31,20 (nee u leest het goed, het woord “miljoen” is niet weggevallen!) tegen een ontslagen werknemer.

    De leidinggevende van deze werknemer verrichte op 10 juli 2019 een routinecontrole naar diens kassahandelingen en ontdekte dat hij de VOID-toets (die kennelijk wordt gebruikt om een transactie te annuleren) “meer dan sporadisch” gebruikte. Dit gaf EG aanleiding om de camerabeelden van de diensten van de betreffende werknemer van 3, 6, 9, en 10 juli te bekijken (verder terugkijken kon zij niet omdat de beelden 14 dagen worden bewaard). Daaruit bleek dat hij gedurende deze vier diensten 14 shopartikelen (onder andere een flesje 7Up, een Ice-tea, een suikerwafel en een broodje kaas) zelf had genuttigd zonder deze af te rekenen en een smoothie (die volgens hem over de datum was) had weggegeven. De verkoopprijs van deze artikelen was € 31,20.

    Op 16 juli 2019 heeft er een gesprek plaatsgevonden, waarin de medewerker werd geconfronteerd met de camerabeelden. Hij zal toen geen goede verklaring hebben gegeven, want is direct op non-actief gesteld. Op 18 juli heeft de Area Sales Manager van EG de medewerker vervolgens mondeling op staande voet ontslagen, “omdat hij producten uit de shop heeft genuttigd zonder daarvoor te betalen”. EG bevestigde het ontslag op staande voet in een brief die de werknemer pas rond 30 juli 2019 zou hebben ontvangen.

    De kantonrechter oordeelde op 17 oktober 2019 dat het ontslag op staande voet geldig is: EG mocht de tijd nemen om de camerabeelden te bekijken en het ontslag op de 18e was dus nog “onverwijld” gegeven, een wettelijke eis voor een ontslag op staande voet. Dat de brief pas (veel) later is aangekomen vindt de kantonrechter geen probleem. Omdat EG erop moet kunnen vertrouwen dat haar werknemers de producten die haar eigendom zijn niet nuttigen/weggeven zonder dat daarvoor betaald wordt, leverde het gedrag van de werknemer voor de rechter een “dringende reden” (ook een wettelijke eis) op om de arbeidsovereenkomst met hem onverwijld te beëindigen. De camerabeelden zelf zijn niet aan de kantonrechter getoond.

    De werknemer is in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof. Omdat de werknemer volhoudt dat hij de artikelen later alsnog heeft betaald (en dat zijn collega’s en leidinggevende dat ook zo deden) heeft het Gerechtshof EG opgedragen om haar onderzoeksgegevens (de camerabeelden en haar administratie) in het geding te brengen. Het Hof beslist dan later wie de bewijslast draagt, dus of EG moet bewijzen dat de werknemer de artikelen niet heeft betaald, of de werknemer dat hij (later) wel heeft betaald. Ik ben benieuwd hoe dit afloopt. Er hangt voor de werknemer veel van af.

    Lees de hele uitspraak op www.rechtspraak.nl ECLI: NL:GHSHE:2020:2812.

     

    Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp. Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.

     

  • Dirk van den Berg en Katinka Verdurmen geïnterviewd door De Nationale Franchise Gids

    Dit artikel is gepubliceerd op de website van De Nationale Franchise Gids.

    Fort Advocaten (“FORT”) is een middelgroot advocatenkantoor in Amsterdam, gespecialiseerd in vastgoedrecht en ondernemingsrecht met een leidende positie in de retail- , vastgoed- en hotels & leisure branche. FORT heeft een franchise team bestaande uit 8 specialisten die zowel franchisegevers als franchisenemers adviseren. De Nationale Franchise Gids spreekt met partner Dirk van den Berg en managing partner Katinka Verdurmen.

    Snijvlak franchiserecht en huurrecht

    FORT heeft niet alleen veel expertise op het gebied van franchiserecht, maar is daarnaast specialist als het gaat om huurrecht. Het snijvlak van deze twee rechtsgebieden vormt vaak een belangrijk onderdeel van de afspraken die franchisegevers en -nemers onderling maken. In de eerste maanden van de coronapandemie was er ook tussen franchisegevers en franchisenemers veel te doen op het gebied van huurrecht. “Er lijkt nu wel weer wat rust in te komen”, aldus Verdurmen.

    Aankomende Wet Franchise

    Ook krijgt FORT volop vragen over de aankomende Wet Franchise, waarop veel formules al voorsorteren. FORT heeft al voor meerdere franchiseformules gewerkt aan een vernieuwde franchiseovereenkomst. “We krijgen veel vragen als: ‘Moet ik iets doen met de huidige overeenkomst?’ of ‘Hoe doe ik dit hands-on zonder het te ingewikkeld te maken voor beide partijen?’”, vertelt Katinka Verdurmen. “Er zijn formules waarbij niet veel aangepast hoeft te worden, soms is het een kwestie van opschrijven wat er feitelijk al gebeurt. Dat kan dan door het toevoegen van een pagina met extra afspraken. Soms kan het zinvol zijn om de hele overeenkomst even tegen het licht te houden.”

    Balans tussen franchisegever en -nemer

    Waar moet je nu precies op letten bij het opstellen van een nieuw franchisecontract? Katinka Verdurmen: “Het is belangrijk om drempelwaarden te benoemen voor beslissingen met financiële impact voor de franchisenemers. Boven de drempelwaarden is instemming van de franchisenemers nodig. Daarnaast is van belang om het overleg tussen de partijen te formaliseren. Constructief overleg is van groot belang in een franchiserelatie. ” Verdurmen vertelt dat veel partijen bang zijn dat franchisenemers de neiging zouden kunnen hebben om het afspreken van drempelwaarden uit de weg te gaan, zodat voor elke wijziging met financiële impact hun instemming nodig is. Zij denkt dat die angst onterecht is, omdat franchisenemers ook ondernemers zijn en begrijpen dat de franchisegever ruimte moet hebben om te ondernemen. Daarbij moet uiteraard wel rekening gehouden worden met hun belangen. Daarnaast verwacht zij dat de rechter desgevraagd zal ingrijpen als franchisenemers zich onredelijk opstellen en mogelijk op die manier ontwikkelingen binnen de formule tegenhouden.

    Dirk van den Berg vult aan:  “Het is wel belangrijk dat een franchisenemer de franchisegever zijn werk laat doen. Je gaat er vanuit dat een franchisenemer een formule kiest op basis van  vertrouwen en hij moet er dan ook tot op zekere hoogte vertrouwen in hebben dat de franchisegever de juiste beslissingen neemt. Partijen hebben belang bij transparantie. Dat is waar de Wet vooral over gaat. “

    Geschillen

    Van den Berg verwacht niet dat de Wet Franchise direct tot een groot aantal geschillen leidt. Over het algemeen genomen gaat het wel goed en komen beide partijen er samen uit. Het zijn de gevallen waar dat niet is gelukt die hebben geleid tot de Wet Franchise.

    Voor beide partijen

    FORT werkt voor gerenommeerde franchiseformules zoals Blokker, Intertoys en Jumpsquare Group. Daarnaast ondersteunt zij ook franchiseverenigingen van o.a. Albert Heijn en McDonald’s. “Omdat wij aan tafel zitten bij zowel franchisegevers als franchisenemers, weten wij hoe het van beide kanten werkt en daardoor kunnen wij beslagen ten ijs komen”, aldus Dirk van den Berg.

    Voor vragen over de nieuwe Wet Franchise of andere franchise gerelateerde vragen kunt u terecht bij de franchiserecht advocaten van FORT.

  • Dirk van den Berg in Pompshop: Een nieuwe start. Nieuwe rondes, nieuwe kansen!

    Dirk van den Berg in Pompshop: Een nieuwe start. Nieuwe rondes, nieuwe kansen!

    Een nieuwe start. Nieuwe rondes, nieuwe kansen!

    1 september 2020, door Dirk van den Berg

     

    Het jaar 2020 is al voor twee-derde om, maar het voelt vandaag als het begin van een nieuw jaar. De vakantie (in Nederland dit jaar) achter de rug. De kinderen weer naar school. De straten schoongespoeld. De e-mailbox getrimd. Ik ben erg benieuwd wat deze laatste vier maanden van 2020 gaan brengen.

    Een eerste belangrijk evenement – misschien wel dé lakmoesproef voor de branche – is de veiling van de rijkswegtankstations op 9 september a.s. Maar liefst 29 locaties komen er onder de hamer. Klinkende namen als “Den Ruygenhoek West”, “Hazeldonk Oost” en “Bergh Noord”, maar ook (voor mij) minder bekende als “Hoezaar” en “Dikke Linde”. Het wordt spannend. Zien “de olie’s” (zoals Beta-oprichter Edsko Schuitema ze altijd noemde) het nog zitten om in Nederland in tankstationlocaties te investeren? Het zijn nu niet direct de omstandigheden om de recordbiedingen van de afgelopen twee jaar te overtreffen.

    Kort voor de corona-lockdown ben ik nog betrokken geweest bij een aantal transacties waarbij door oliemaatschappijen exploitanten zijn uitgekocht of langjarige huurovereenkomsten zijn gesloten met grondeigenaren of vergunninghouders. Sindsdien is het stil in “overnameland”. Niet alleen in de tankstationbranche overigens.

    De relatieve rust op het tankstationfront – behalve een aantal verzoeken van oliemaatschappijen om de huur gespreid te mogen betalen hebben zich bij mijn weten nog geen coronaschermutselingen voorgedaan – maakte het voor mij mogelijk om kantoorgenoten te ondersteunen in de door corona ‘ontplofte’ praktijk van huurders en verhuurders van winkels, hotels en andere objecten. Zo sprong ik bij in een kort geding over de huur van een voetbalstadion, en twee bodemprocedures over de (ver-) huur van een club en een sportwinkel. Hoe de corona-jurisprudentie zich gaat ontwikkelen weet niemand nog. In de kort geding uitspraken die zijn gepubliceerd, hebben zowel om beurten huurders (de meest spraakmakende is W Hotel Amsterdam, die meer dan 2 miljoen euro aan huurbetalingen mag opschorten) als verhuurders (waaronder de eigenaar van het Gelredome) aan het langste eind getrokken.

    Maar het is inmiddels wel duidelijk dat vastgoed op dit moment minder waard is dan eind 2019. Een cliënt van mijn kantoor kocht eind 2019 een tweetal winkelpanden als beleggingsobject. Hij deed dat vaker, en had goede relaties met een aantal vastgoedfinanciers. Daarom maakte hij geen financieringsvoorbehoud. Met een dergelijk voorbehoud had hij de deal ook niet gekregen: verkopers van dergelijke objecten willen zeker weten dat zij een onvoorwaardelijke koop hebben gesloten. De koopprijs werd omstreeks 1 december 2019 bepaald op bijna 20 keer de jaarhuur, en er zou worden geleverd op 31 maart. Toen de coronapandemie losbarstte was de financiering nog niet rond. De financier trok zich terug, en er waren ook geen andere financiers “open” voor winkelvastgoed, dus onze cliënt kon niet nakomen. De verkoper nam geen genoegen met de contractueel overeengekomen boete van 10%, en stond op nakoming van de overeenkomst. Onze cliënt werd vervolgens in kort geding veroordeeld om de panden af te nemen (en te betalen) op straffe van een stevige dwangsom per dag. Maar wat niet kan, dat kan dus niet. Uiteindelijk is hij er na ruim 30 dagen in geslaagd een partij te vinden die de panden, met bijna 20% verlies, van hem wilde overnemen. Ik heb nu de dankbare taak de rechter ervan te overtuigen dat (1) de verkoper niet heeft geleverd wat hij verkocht heeft (en dus zelf de koopovereenkomst niet correct is nagekomen) en (2) de koper het kort geding vonnis niet kon nakomen totdat hij een opvolgend koper én financiering voor het verlies had gevonden. Het eerste moet een korting op de koopprijs opleveren. Het tweede moet onze cliënt van de dwangsommen verlossen. Nieuwe rondes, nieuwe kansen!

     

    Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp. Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.

     

  • Dirk van den Berg in Pompshop: Adviesprijs nog steeds niet exit?

    Dirk van den Berg in Pompshop: Adviesprijs nog steeds niet exit?

    In mijn column in het juninummer van 2013, dus ruim 7 jaar geleden, stelde ik de adviesprijzen en de – toen al – uit de pan rijzende kortingen daarop aan de orde. Ik moet helaas constateren dat het, na 7 magere jaren, alleen maar slechter is geworden voor de dealers en exploitanten.

    Aan de doorsnee automobilist is het bijna niet meer uit te leggen. Geregeld krijg ik (als ‘branchedeskundige’) de vraag hoe het toch kan dat je bij het ene tankstation (meestal langs een rijksweg) geen korting krijgt, en bij het andere zo 15 cent. Ik probeer het dan toch maar weer.

    Allereerst leg ik uit dat uitbaters van tankstations (oliemaatschappijen, dealers en exploitanten) experimenteren met het kortingsniveau, en bekijken wat de korting met de brandstoffendoorzet doet. Leidt een cent meer korting (dus ongeveer 0,8 cent minder marge) tot veel meer liters, dan loont dat. Vooral omdat elke verkochte liter ook leidt tot extra bestedingen in de shop. Leidt het terugschroeven van de korting niet tot een daling van de liters, dan is dat nog beter.

    Maar meer nog dan dat speelt het verschil in contractsvoorwaarden. Een dealer die inkoopt op basis van Platts is veel beter in staat om mee te gaan met de kortingen die oliemaatschappijen op (sommige van hun) eigen stations geven dan een dealer die een afspraak heeft op basis van een korting op de adviesprijs.

    Zo was een cliënt van mij vorig jaar nog zeer te spreken over de aanbieding die Shell hem deed, van 19 cent (exclusief btw) op de adviesprijs. Hij geeft 13 cent (inclusief btw) korting op benzine, dus hij houdt nog ongeveer 7,5 cent (exclusief btw) op een liter over. Maar een korting aan de pomp van 13 cent is vandaag de dag – na het instorten van de olieprijs en het maar gedeeltelijk meebewegen van de adviesprijzen – geen publiekstrekker meer. Het is helemaal niet zo lang zoeken naar een Shell-pomp die 15 cent korting geeft. Om over andere merken nog maar te zwijgen.

    Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp. Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.

  • Dirk van den Berg in Pompshop: Fysiek feestje

    Dirk van den Berg in Pompshop: Fysiek feestje

    Het was feestelijk. Afgelopen maandag mocht ik na twee maanden eindelijk weer naar de rechtbank voor een ‘fysieke’ zitting, een kort geding. Misschien had de rechtbank hiervoor gekozen vanwege de logistieke complexiteit: er waren twee eisers (met verschillende advocaten), die ieder afwijkende vorderingen hadden tegen twee koppels gedaagden (een echtpaar en een aannemer en zijn B.V.). Voor de gedaagden had zich nog geen advocaat gemeld. Het zou knap lastig zijn geweest om via Skype, Teams, Meet of Zoom (HouseParty wordt in zakelijke omgevingen eigenlijk niet gebruikt) niet alleen oog te houden op de rechter maar ook op de twee wederpartijen en mijn ‘medepartij’. En maar hopen dat de verbinding niet zou uitvallen.

    Maar gelukkig niets van dat alles dus. Na een binnen de rechtbank uitgezette eenrichtingsroute kon ik mij melden bij een balie die inmiddels was voorzien van plexiglas kuchscherm. Zowaar bleek daar ook een advocaat voor het gedaagde echtpaar aanwezig te zijn. Van de medewerkster achter de balie (nog altijd ‘bode’ genoemd) kregen we instructies waar straks in de rechtszaal op gepaste afstand van elkaar te gaan zitten.

    De rechtszaal was ongeveer 10 bij 10 meter. Aan de ene kant van de zaal zaten de rechter en de griffier op een verhoging. Daar tegenover waren van links naar rechts met ruim 1,5 meter afstand voor de advocaten drie tafels met daarbij een stoel neergezet. Daar achter (ook weer ruim 1,5 meter verder) stonden stoelen voor de cliënten. Normaal zit een cliënt naast zijn advocaat, nu dus een paar meter daar achter. Het was allemaal even wennen, maar veel beter dan via een beeldverbinding.

    De vordering van mijn cliënte en de medepartij betrof een bouwstop. De gedaagden waren de eigenaren van het huis tussen de panden van de beide eisers in. Zij waren zonder toestemming van hun buren begonnen met het herstel van de (volgens hen) slechte fundering van de gemeenschappelijke bouwmuren. De wet (artikel 67 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek) is er duidelijk over dat dergelijke werkzaamheden alleen mogen plaatsvinden met toestemming van de mede-eigenaren. Volgens de gedaagden was mijn cliënte van alles op de hoogte, en konden zij dus hun gang gaan.

    Nadat alle partijen hun zegje hadden gedaan en de rechter enkele kritische vragen had gesteld, was het haar duidelijk dat het echtpaar de benodigde toestemming niet had. De rechter was er dan ook niet van gecharmeerd dat de aannemer al met de werkzaamheden was begonnen, en al helemaal niet van de omstandigheid dat er was doorgewerkt nadat ik zowel de eigenaren als de aannemer een aangetekende brief had gestuurd waarin ik hen had gesommeerd met de werkzaamheden te stoppen totdat een door partijen gezamenlijk aan te wijzen onafhankelijke deskundige zou hebben geadviseerd over de vraag of en zo ja hoe de werkzaamheden zouden kunnen worden verricht zonder schade toe te brengen aan de belendende panden.

    Zonder dat zij een vonnis hoefde te wijzen dwong de rechter van de gedaagden de toezegging af dat zij niet verder zouden bouwen totdat de gezamenlijk te benoemen deskundige zijn ei zou hebben gelegd over de vraag of de fundering van de gemeenschappelijke muur zo slecht is dat deze opnieuw moet worden gefundeerd, en zo ja, hoe. Met de zitting was het doel – de bouwstop – bereikt, en er hoeft alleen een vonnis te worden gewezen als de partijen er onderling (opnieuw) niet uitkomen.

    Terugkijkend op deze zitting en de weg daarnaartoe prijs ik mij gelukkig met mijn benzinestations-praktijk, waarin ik meestal te maken heb met grote wederpartijen die zich (te) uitgebreid juridisch laten adviseren voordat zij tot daden overgaan, en maar weinig met – niet door juridische kennis gehinderde – particulieren.

    Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp. Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.

  • Dirk van den Berg in Pompshop: Huurrecht in tijden van corona 2

    We zijn een maand verder. Een maand waarin de horeca dicht blijft, maar scholen en winkels voorzichtig weer open gaan. De tankstations zijn steeds open geweest, maar er wordt zo weinig gereden – we houden ons immers allemaal braaf aan de opdracht thuis te blijven – dat de omzet van tankstations gemiddeld met ongeveer 40% is teruggelopen. Elektrische rijders zijn kennelijk nog iets gehoorzamer dan de gebruikers van fossiele brandstof, want de omzet van Fastned liep in dezelfde periode met maar liefst 70% terug.

    Verschillende van mijn cliënten hebben de afgelopen jaren de exploitatie van hun tankstations uitbesteed aan oliemaatschappijen, die daarvoor veel geld over hadden. Het verbaast mij dan ook enigszins dat de grootste spelers in de markt amper twee weken na de instelling van de intelligente lockdown al brieven aan hun verhuurders – vaak particulieren of familievennootschappen – stuurden waarin zij vroegen om uitstel van huurbetalingen en/of verlaging van de huurprijs. Ik vind een dergelijk verzoek wat voorbarig, omdat deze bedrijven een teruggang in omzet van 20 a 25% procent per jaar zonder al te veel problemen zouden moeten kunnen opvangen. En als dit jaar gedurende drie maanden de omzet zou terugvallen tot 50%, dan leidt dat op jaarbasis tot “slechts” een terugval van 12,5%. Ondernemersrisico, zou ik zeggen. Maar de olieboeren zijn in goed gezelschap. De grootste bierbrouwers en kledingmagnaten doen immers hetzelfde.

    In een groot aantal gevallen geeft de huurovereenkomst zelf al uitsluitsel over de gevolgen die een aanzienlijke terugval van de omzet voor de huurprijs heeft. Vaak wordt een half jaar bij de contractsluiting gezien als een periode dat het heel slecht moet gaan voordat de huurder een recht op huurprijsvermindering heeft. De huurder moet dan doorgaans wel aantonen “dat de exploitatie van het huurobject gedurende een aaneengesloten periode van zes maanden of langer zodanig wordt belemmerd dat voortzetting ervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer van huurder kan worden gevergd”. De huurder die een dergelijk artikel heeft bedongen, zou vanwege de coronamaatregelen gebruik kunnen maken van de tussentijdse beëindigingsmogelijkheid. Maar wil die huurder dat ook? Minder betalen ja, maar de sleutel inleveren juist als de omzet (hopelijk) weer de goede kant opgaat?

    Dezelfde bepaling komt ook voor maar dan beperkt tot “fysieke overheidsmaatregelen, zoals een wegafsluiting”. Een dergelijke bepaling is niet direct van toepassing op de huidige situatie. Maar betekent dat dan dat de contractspartijen hebben afgesproken dat bij een “niet-fysieke overheidsmaatregel” de overeenkomst en de huurprijs in stand moeten blijven?

    In weer andere contracten is er een ondergrens in de literdoorzet afgesproken. Dergelijke drempels liggen vaak vrij hoog (dus de liters erg laag). Bij stations die normaal een doorzet van ongeveer vier miljoen liter hebben, heb ik verschillende keren meegemaakt dat een ondergrens van één miljoen liter wordt afgesproken. De daling moet dan wel “structureel” zijn en moet door middel van een accountantsverklaring worden aangetoond. Ook is in een dergelijke afspraak altijd opgenomen dat de daling niet aan de huurder te verwijten mag zijn.

    In het geval er niets is geregeld over de omstandigheden waaronder de huurprijs kan worden verlaagd als gevolg van een omzetdaling die niet aan de huurder te wijten is, kan de huurder op termijn – maar dan denk ik aan een periode van zes maanden of meer waarin de omzet met tenminste de helft is teruggevallen – een poging wagen om bij de rechter vermindering van de huurprijs te vorderen op de grond dat er als gevolg van deze onvoorziene omstandigheden een wanverhouding is ontstaan tussen de wederzijdse prestaties en de verhuurder naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet meer mag verwachten. Een dergelijke vordering kan niet worden weggecontracteerd. Wel ligt de lat voor een dergelijke vordering erg hoog (en hoger naarmate de verhuurder groter en de huurder kleiner is).

    Als de huurovereenkomst wel een bepaling voor tussentijdse beëindiging maar niet voor aanpassing van de huurprijs bevat, dan kan de huurder de opzegmogelijkheid uiteraard aangrijpen om te onderhandelen over voortzetting van de huurovereenkomst tegen een lagere huur. Die huurder neemt dan wel een gok. Een concurrent zou de crisis immers kunnen aangrijpen om de verhuurder een beter bod te doen, en een huurder die zelf opzegt heeft geen huurbescherming meer. Wie geen nieuwe huurder heeft klaarstaan (en zelf niet aan de pomp wil gaan staan) adviseer ik om zijn huurder niet te laten stikken. Waar niets is, verliest de keizer immers zijn recht.

    Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp. Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.

  • Dirk van den Berg in Pompshop: Recht in tijden van corona

    De avond dat ik deze column schrijf (16 maart 2020) is een historische. De Minister-President hield een toespraak die live op radio en televisie werd uitgezonden. De vorige keer dat dit gebeurde is ruim 46 jaar geleden. Joop den Uyl sprak het volk toe op 1 december 1973 nadat zijn kabinet onder andere had besloten dat benzine alleen nog op de bon te verkrijgen zou zijn. De oliecrisis trof de tankstationbranche toen zwaar.

    Mark Rutte maakte vanavond geen nieuwe maatregelen bekend. Hij lichtte de maatregelen toe die zijn ministers Slob en Bruins een dag eerder hadden afgekondigd om de verspreiding van het coronavirus af te remmen: sluiting van alle scholen en horecagelegenheden. Ongekend ingrijpende maatregelen. En hij kondigde een steunprogramma aan voor de ondernemers – waaronder zzp-ers – die het hardst door de overheidsmaatregelen worden getroffen. De meeste Nederlanders vinden dat hij het goed deed. Ik ook.

    In deze coronacrisis zijn verschillende beroepen binnen de brandstoffenbranche uitdrukkelijk als “cruciaal” bestempeld om onze samenleving draaiende te houden. “Transport van brandstoffen zoals kolen, olie, benzine en diesel, etcetera” komt voor op de door de Rijksoverheid op internet gepubliceerde lijst. Zou het afleveren/afrekenen daarvan er ook onder vallen?

    Mijn beroep wordt in ieder geval niet als cruciaal gezien. Vandaag werd bekend dat de rechtbanken met ingang van 17 maart voor tenminste drie weken gesloten zullen zijn. Ook dat is ongekend. Tot en met 6 april vinden er in principe geen rolzitting en mondelinge behandelingen meer plaats. Korte gedingen –naar hun aard spoedeisend – gaan alleen door in geval van “superspoed”. En als er toch een zitting wordt gehouden, dan wordt dat bij voorkeur digitaal (via Skype of Facetime) gedaan. Vonnissen kunnen wel worden uitgesproken. Voor uitspraak “in het openbaar” is geen publiek nodig.

    Intussen is het de vraag welke door de coronacrisis getroffen ondernemers nog aan hun contractuele verplichtingen kunnen en/of moeten voldoen. Er zijn al meer dan 20.000 verzoeken tot werktijdverkorting ingediend en eigenaren van (bijvoorbeeld) horecavastgoed worden overspoeld met verzoeken van door de gedwongen sluiting getroffen ondernemers om geheel of gedeeltelijk te worden vrijgesteld van de huurbetalingsverplichting.

    Of de verhuurder aanspraak kan maken op de (volledige) huur is niet met een eenvoudig “ja” of “nee” te beantwoorden. Een huurder kan de rechter verzoeken de huurprijs te verminderen in verband met een “gebrek”. De wet (artikel 204 van Boek 7 BW) definieert een gebrek als “een staat of eigenschap van de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid” waardoor het huurgenot van de huurder wordt verminderd. De huurder van een gesloten café of restaurant heeft van de bedrijfsruimte uiteraard geen “genot”, maar is er sprake van een gebrek? Waarschijnlijk niet. De verhuurder kan zich verweren met de stelling dat sprake is van een feitelijke stoornis door een derde. Het is vaste rechtspraak dat tegenvallende bezoekersaantallen in een winkelcentrum onder het ondernemersrisico van de huurder vallen. Aan de andere kant kan het “naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn” als de verhuurder aanspraak blijft maken op de (volledige) huur als deze onvoorziene en extreme omstandigheden langere tijd blijven aanhouden.

    Kortom, moeilijke en onzekere tijden voor ons allemaal. De rechter geeft voorlopig niet thuis, dus we zullen er onderling uit moeten komen. Wél beloofde Mark Rutte vanavond om “alles op alles (te zetten) om ervoor te zorgen dat bedrijven niet omvallen door wat er nu gebeurt en dat mensen hun baan niet verliezen” en ons niet in de steek te laten. Ik ben benieuwd hoe dat concreet gaat worden ingevuld.

    Wanneer u dit leest – dit blad komt pas op 31 maart uit – zullen er hopelijk positieve gevolgen te zien zijn van het medio maart ingezette beleid om de coronacurve af te vlakken (“flatten the curve”), zijn de tankstations nog open en houdt u de samenleving (al dan niet met overheidssteun) nog draaiende. Ik sluit af met de slotwoorden van Mark Rutte: Ik reken op u.

    Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp. Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.

  • Voorkom een corona-domino effect

    Na de verplichte sluiting van alle horecagelegenheden in Nederland, in ieder geval tot en met 28 april a.s., blogt heel juridisch Nederland over de vraag in hoeverre door de coronacrisis getroffen horeca- en retail-ondernemers nog aan de verplichtingen uit hun huurovereenkomsten moeten voldoen.

    Huurders die hun zaak – al dan niet gedwongen – hebben gesloten of te maken hebben met dramatisch teruggelopen bezoekersaantallen verzoeken hun verhuurder om geheel of gedeeltelijk te worden vrijgesteld van de huurbetalingsverplichting. De verhuurders antwoorden – ingefluisterd door hun advocaten – dat er geen sprake is van een gebrek van het gehuurde en dat tegenvallende bezoekersaantallen nu eenmaal tot het ondernemersrisico van de huurder behoren. Afhankelijk van de achterban van de blogger neigt deze ofwel naar de ene ofwel naar de andere kant. Ik heb zelfs een blog gezien dat de kool en de geit wilde sparen, en predikte dat huurder en verhuurder standaard ieder de helft van de corona-pijn zouden moeten dragen door de huur voorlopig te halveren.

    Als partner van een kantoor dat huurders en verhuurders bijstaat zal ook ik zeker geen kant kiezen in deze discussie. Dat hoeft ook niet. De oplossing moet immers buiten het huurrecht gevonden worden. Het probleem waar wij mee te kampen hebben is in de eerste plaats een maatschappelijk en/of economisch probleem en zou geen juridisch probleem moeten worden. Het kabinet ziet dat ook in, en heeft al laten weten dat de huidige omstandigheden geen (normaal) ondernemersrisico vormen, en dat de overheid de getroffen ondernemers zal steunen. Hoe dat in zijn werk gaat is nog onduidelijk.

    Ik zie om mij heen dat verhuurders begrip tonen voor het probleem van hun huurders en onderzoeken wat zij kunnen doen. Zij leggen de situatie voor aan hun bank, maar die reageert in veel gevallen heel ‘2019’ door eerst een grote hoeveelheid gegevens te vragen om vervolgens tegen de verhuurder in kwestie te (kunnen) zeggen dat ofwel zijn cijfers zo goed zijn dat hij geen hulp van de bank nodig heeft, ofwel die hulp niet kan krijgen vanwege zijn financiële situatie, rekening houdend met de (waarschijnlijk) niet betalende huurders.

    Rutte zei het maandag al: wij moeten het gezamenlijke belang boven het eigen belang stellen. Dat is mooi, maar huurders en verhuurders moeten nu iets. Er zal snel duidelijk moeten worden hoe de steunmaatregelen er exact uit gaan zien, en hoe (snel) daarop door wie een beroep kan worden gedaan. Het lijkt verder het meest praktisch als die steun zoveel mogelijk terechtkomt bij de ondernemers die direct worden getroffen door de sluitingen en/of het wegblijven van het publiek, zodat zij zoveel mogelijk aan hun verplichtingen kunnen blijven voldoen. Als huurders hun huren niet meer betalen, zullen ook verhuurders in de problemen raken en ontstaat er een domino-effect.

    Op dezelfde wijze als de overheid via de tijdelijke maatregel Noodfonds Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) bijdraagt in de loonverplichtingen van getroffen ondernemers, zou zij dat ook moeten doen met betrekking tot de betaling van hun huur- en hypotheekverplichtingen. Steun in de vorm van garanties is veel complexer en biedt onvoldoende soelaas. Indien betalingen worden uitgesteld, komen immers steeds meer partijen in de problemen en wordt het domino-effect versterkt.

    Vandaar mijn oproep aan het kabinet om snel door te pakken en werk te maken van Ruttes “We laten u niet in de steek”.

    Vragen?
    Indien u vragen heeft over de gevolgen van de coronacrisis op een huurovereenkomst, dan kunt u contact opnemen met partner huurrecht Dirk van den Berg via 020-6645111 of dirk.vandenberg@actlegal-fort.com.

  • Dirk van den Berg in Pompshop: Arbeidsrecht in balans?

    Het arbeidsrecht is in beweging. Nog maar een paar jaar geleden lanceerde het kabinet de Wet Werk en Zekerheid (WWZ). De belangrijkste beloftes van de WWZ – ingegaan op 1 juli 2015 – waren dat het ontslagrecht eenvoudiger en goedkoper zou worden voor werkgevers, en dat de nieuwe regels voor tijdelijke contracten zouden leiden tot meer vaste contracten. Helaas werkte het anders uit.

    Nieuw in de WWZ was de transitievergoeding, een wettelijke aanspraak voor werknemers op een ontslagvergoeding. Vóór de WWZ had een werknemer geen wettelijk recht op een ontslagvergoeding, maar kon de kantonrechter een werkgever wel opdragen een ‘billijke’ ontslagvergoeding te betalen. De kantonrechter gebruikte hierbij de zogenaamde kantonrechtersformule, een door de Kring van Kantonrechters opgestelde richtlijn waarbij de vergoeding de resultante was van (A) het aantal (gewogen) dienstjaren, (B) het maandsalaris en (C) een correctiefactor. Het was grofweg een maandsalaris voor een gewerkt jaar dat naar boven of naar beneden kon worden bijgesteld. De Kring van Kantonrechters stelde zo de uitgangspunten voor de ontslagvergoeding vast, maar de kantonrechter in kwestie bepaalde de vergoeding in iedere zaak naar eigen inzicht, en dit leidde nogal eens tot verrassingen.

    De kantonrechtersformule maakte het erg duur om oudere werknemers (met een lang dienstverband) te ontslaan. Het was de bedoeling van de WWZ om onder andere met een voorspelbare, lagere, transitievergoeding de kosten van ontslag voor werkgevers te verlichten. De WWZ kende daarom pas een transitievergoeding toe wanneer een arbeidsovereenkomst twee jaar of langer had geduurd. Dat leidde weer tot kortdurende, tijdelijke, arbeidsovereenkomsten, waarvan er binnen twee jaar ten hoogste drie achter elkaar mochten worden gesloten (de “ketenregeling”). Anders ontstond er een dienstverband voor onbepaalde tijd.

    Nog voordat de effecten van de WWZ goed en wel zijn geëvalueerd – veel betrokkenen vinden dat jammer – is er weer een nieuwe wet overheen uitgerold: vanaf 1 januari van dit jaar geldt de WAB, de Wet Arbeidsrecht in Balans. Balans? Uit de volledige naam van de wet blijkt waar deze gevonden zou moeten worden: het is de “wet tot wijziging van verschillende wetten om de balans tussen vaste en flexibele arbeidsovereenkomsten te verbeteren”.

    Alle werknemers hebben nu recht op een transitievergoeding. Die transitievergoeding bedraagt over de gehele duur van het dienstverband een derde van een maandsalaris per dienstjaar. Onder omstandigheden kan de rechter de transitievergoeding met maximaal 50 % verhogen.

    Maar de WAB heeft nog meer wijzingen gebracht. De hierboven aangestipte ketenregeling is versoepeld: Werkgevers mogen nu drie tijdelijke contracten binnen een periode van drie jaar aangaan met dezelfde werknemer. Ook is de periode tussen twee “ketens” verkort. Onder de WWZ ontstond pas een nieuwe keten van tijdelijke contracten na een onderbrekingsperiode van zes maanden. De WAB maakt het mogelijk om in een cao de periode tussen twee ketens te verkorten van zes naar drie maanden in geval van terugkerend tijdelijk werk dat maximaal negen maanden per jaar kan worden gedaan.

    De WAB heeft ook een nieuwe ontslaggrond toegevoegd: de cumulatiegrond, twee of meer ontslaggronden die net geen volledige grond voor ontslag vormen, kunnen zo samen toch een ontslag dragen. Aan de andere kant biedt de wet weer betere voorwaarden voor oproepkrachten met nuluren- en min/maxcontracten. Zo is een oproepkracht alleen verplicht te komen werken als zijn werkgever hem tenminste vier dagen van te voren oproept. En als de oproep binnen die vier dagen weer wordt ingetrokken, behoudt de werknemer toch recht op het loon. De wet heeft ook gevolgen voor payrolling: werknemers die in dienst bij een payrollbedrijf hebben nu dezelfde arbeidsvoorwaarden als werknemers die wel rechtstreeks in dienst zijn bij de opdrachtgever.

    Om vaste dienstbanden aantrekkelijker te maken, bevatte het wetsvoorstel van de WAB een verruiming van de proeftijden. Die heeft het niet gehaald. Wel is de WW-premie voor werkgevers lager als zij werknemers een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aanbieden. Vaste contracten zijn door de WAB zeker wat aantrekkelijker (of minder onaantrekkelijk) geworden, maar ik betwijfel of de balans is hersteld.

    Wie hierover meer wil weten verwijs ik graag door naar mijn kantoorgenoot Elias van Kampen: Elias.vanKampen@actlegal-fort.com.

    Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp. Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.