Tag: Pompshop

  • Dirk van den Berg in Pompshop: Knallende kurken, krimpende kansen

    Dirk van den Berg in Pompshop: Knallende kurken, krimpende kansen

    September was een mooie maand. Bij de rijkswegveilingen is het hoogste bedrag ooit geboden voor het huurrecht van een tankstation. Ook de Rotterdamse veiling heeft recordbedragen opgeleverd. Maar is dat allemaal wel zo mooi?

    Eerst de rijkswegveiling. Total bood ruim 24 miljoen euro om 15 jaar lang de locatie Bijleveld langs de A12 bij Harmelen (nu BP) te exploiteren. Zo’n maatschappij zal daar wel een goede onderbouwing voor hebben, maar ik zou zeggen dat Total jaarlijks de eerste 1,6 miljoen euro bruto winst in het potje “afschrijving entrance fee” moet afstorten.  Wat een oliemaatschappij aan een liter benzine verdient kunnen we slechts raden, maar als het de 20 eurocent is die Bovag in haar overzichten vermeldt, en als Total er 16 miljoen liter weet te verkopen, dan gaat zij er pas vanaf 1 juli van elk jaar iets aan de brandstof verdienen. In de tweede helft van het jaar moeten dan ook de huur, de personeelskosten etc. nog voor het hele jaar worden goedgemaakt. Kennelijk kan dat uit.

    Maar concurrerend prijzen wordt lastig als je al 1,6 miljoen euro van je winst hebt weggegeven. De consument – in wiens belang de veilingen ooit zijn bedacht – wordt er ook niet beter van. Ik begreep overigens kort geleden dat de consument nu ook een vuist maakt en dat steeds minder (zakelijke) rijders langs de snelwegen tanken omdat de prijzen daar hoger zijn. Ook snelwegstations zullen hun prijzen moeten aanpassen om hun klanten te behouden.

    Door het nieuws over het ‘monsterbedrag’  dat Total had geboden, vroeg ik mij af hoe het met EG Retail was gesteld, die in het verleden nogal eens voor nieuws zorgde bij veilingen. Was zij er nog wel? EG bleef in de pers onder de radar want zij gaf op deze rijkswegveiling in totaal maar € 7,5 miljoen uit. aan twee minder prominente stations.

    Mijn ongerustheid over EG was snel voorbij toen ik zag dat zij op de Rotterdamse veiling 11 miljoen euro heeft geboden om twee Esso-stations en een Texaco-station te behouden. Voor het Texaco-station aan de Vaanweg (tot op de dag van vandaag geëxploiteerd door Ototol, groot gemaakt door de vorig jaar overleden Martin van Tol) betaalde EG maarliefst € 4.750.000,–. Zij was nog in business.

    De bedragen die recent in Rotterdam zijn geboden beloven niet veel goeds voor de Rotterdamse ondernemers die ingevolge de Motie Harbers (jawel, de huidige staatssecretaris) achteraan in het Rotterdamse veilingschema zijn geplaatst. Vanaf volgend jaar worden er locaties geveild die niet in handen zijn van oliemaatschappijen maar van lokale ondernemers. Deze ondernemers zijn niet in staat om miljoenenbedragen neer te leggen om de exploitatie van de stations voort te zetten, en zullen – als het tot een veiling komt – waarschijnlijk het veld moeten ruimen.

    Een zo’n Rotterdamse ondernemer heeft de strijd nog niet opgegeven. Hij kocht eind 1999 van Esso een oud tankstation op gehuurde gemeentegrond en werd in Esso’s plaats gesteld als huurder. De huur werd door de gemeente tot dan toe steeds “automatisch” met vijf jaar verlengd. De ondernemer heeft een compleet nieuw tankstation laten bouwen. Krap vier jaar later, in december 2003, kwam de gemeente met de mededeling dat huurovereenkomsten niet meer zouden worden verlengd, omdat de gemeente had besloten de locaties te gaan veilen.

    De ondernemer verzet zich tegen de veiling en verweert zich tegen de huurbeeindiging.  De kantonrechter heeft in juli van dit jaar geoordeeld dat de gemeente de veiling door mag zetten omdat het huur van onbebouwde grond betreft, en er steeds voor bepaalde tijd was gecontracteerd (zie ECLI:NL:RBROT:2018:5316). Het laatste woord is daarover nog niet gezegd. Als de veilingopbrengsten op het huidige niveau blijven, is de inzet hoog.

    Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp.
    Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.

  • Dirk van den Berg in Pompshop: Een schoft met/zonder hoge hoed

    Dirk van den Berg in Pompshop: Een schoft met/zonder hoge hoed

    Ruim zes jaar geleden (Pompshop januari 2012) schreef ik een column met deze titel. Ik refereerde aan een prikkelende uitspraak van een prof in mijn eerste studiejaar: “De Staat is een schoft met een hoge hoed”. De overheid gedraagt zich deftig, maar doet de burger intussen ook onrecht aan.

    Die overheid was de gemeente Rotterdam. Het College van B&W had in 2005 besloten om alle tankstationlocaties op gehuurde gemeentegrond via een veiling aan de hoogste bieder uit te geven voor een periode van 15 jaar. Het systeem lijkt op dat van de rijkswegveilingen, met het belangrijke verschil dat de zittende rijkswegconcessiehouder de opbrengst van de eerste veiling krijgt als hij niet de winnaar is. Wint hij zelf, dan hoeft hij maar ten hoogste 30% van zijn bod te betalen. Bij de eerste veiling was de zittende concessiehouder dus altijd winnaar: óf van de locatie óf van de hoofdprijs.

    Rotterdam kent dat compensatiemechanisme niet. De overboden huurder staat met lege handen. Wél heeft de huidige staatssecretaris Harbers – toen raadslid in Rotterdam – kunnen bereiken dat het College de lokale ondernemers zou beschermen door hun locaties pas na 15 jaar te veilen. Deze veilingen gaan vanaf 2020 plaatsvinden.

    Voor de lokale ondernemers die onderhuurder waren heeft het College – ingevolge de motie Harbers – ook een compensatie ingebouwd. Het veilingbeleid bevat de regeling dat onderhuurders (exploitanten die het tankstation voor een oliemaatschappij exploiteren; de meeste huurders waren oliemaatschappijen) bij de eerste veiling mogen blijven zitten. De bieders op de veiling bieden dan – net als bij de rijkswegveilingen – op een verhuurd object.

    Direct na het bekend worden van deze regeling heb ik de gemeente laten weten dat zes van mijn cliënten van deze regeling gebruik wilden maken. Bij vier van hen antwoordde de gemeente dat de huurder van de betreffende locatie de onderhuurder nooit had aangemeld, zodat sprake was van illegale onderhuur. Het huurcontract bevatte immers een verbod tot onderhuur en zij kwamen daarom niet in aanmerking voor de regeling. De andere twee kwamen wel in aanmerking.

    Drie van deze vier exploitanten heeft met hun verhuurder (oliemaatschappij) een regeling getroffen. Voor één exploitant heb ik een procedure gevoerd om te bereiken dat hij – ondanks dat zijn verhuurder hem nooit had aangemeld – het Harbers-pakket zou krijgen. Dat lukte bij de rechtbank, via het vertrouwensbeginsel. De rechtbank woog zwaar mee dat de gemeente (de gemeentelijke belastingdienst en de dienst die de naleving van milieuregels handhaaft) al meer dan twintig jaar op de hoogte was van de aanwezigheid van deze ondernemer. Hij mocht er daarom op vertrouwen dat hij in aanmerking kwam voor de regeling, omdat de gemeente daaraan pas in tweede instantie had toegevoegd dat deze alleen gold voor onderhuurders voor wie uitdrukkelijk toestemming was gevraagd.

    De gemeente ging tegen deze uitspraak in hoger beroep. Zij hamerde er opnieuw op dat zij de regeling echt alleen toepaste in gevallen waarin uitdrukkelijk toestemming voor onderhuur was gevraagd en de gemeente ofwel had ingestemd ofwel nooit had geantwoord. Voor wie dat gold, wilde de gemeente niet zeggen. Het gerechtshof gaf de gemeente gelijk. De onderhuurder zal na de veiling het veld moeten ruimen.

    Ik zit nu met gemeente om de tafel over de invulling van de regeling voor de twee “erkende” onderhuurders. De gemeente bekent nu dat deze twee onderhuurders de enige twee “erkende” onderhuurders zijn. In beide gevallen is geen sprake van door de oliemaatschappij gevraagde toestemming, maar heeft de gemeente aan de huurders opgelegd dat zij aan deze exploitanten móesten onderverhuren. De gemeente loste daarmee op dat moment een probleem op. Gevallen waarin door de huurder toestemming voor onderhuur is gevraagd, blijken helemaal niet te bestaan.

    Ik moest zodoende weer denken aan de schoft en ik weet het nu zeker. Het is zonder hoge hoed.

    Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp. Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.

  • Dirk van den Berg in Pompshop: Een Whatsapp-gesprek is een gesprek!

    Dirk van den Berg in Pompshop: Een Whatsapp-gesprek is een gesprek!

    In diverse blogs is aandacht besteed aan een uitspraak van de kantonrechter te Roermond, waarin de beëindiging van een huurovereenkomst met wederzijds goedvinden is afgeleid uit Whatsapp-berichten. De meeste commentatoren constateren dat beëindiging van een huurovereenkomst via Whatsapp dus mogelijk is. Maar dat is nogal wiedes. De beëindiging van een huurovereenkomst is vormvrij en kan ook met gebarentaal of rooksignalen worden afgesproken.

    Een huurster heeft voor haar (beginnende) bedrijf een huurovereenkomst afgesloten. De maandhuur van € 250,– moest vooraf worden betaald, maar zij hoefde de eerste maand niet te betalen. Toen de huurster begin mei nog niets had betaald vroeg de verhuurder per Whatsapp om uitleg. De huurster antwoordde onder meer dat haar bedrijf nog niet zo goed liep en dat ze geen geld had. Ik geef de belangrijkste passages uit het Whatsapp-gesprek weer:

    4 mei 2017 – Verhuurder: (…) Ik ben bereid om je tegemoet te komen en het contract te verbreken, maar je hangt wel voor die 2 maanden en deze zul je moeten betalen.

    Huurster: (…) We kunnen als het jou uitkomt zaterdag de sleutels brengen.

    Verhuurder: Wat gaan we doen? Behalve mijn sleutel terugbrengen? Ik ben bereid om dit met je op te lossen zonder verdere onkosten, maar de maanden die je gebruikt hebt als post en zakelijk adres moet ik je helaas factureren. Ga je daarmee akkoord zal ik mijn boekhouder vragen het contract af te wikkelen en een factuur op te stellen van de 3 maanden.

    Huurster: Dat is goed, het contract afwikkelen. Maart had je cadeau gegeven dan zijn het 2 maanden, misschien ben ik abuis?

    Verhuurder: Goed! Ik ga morgen met mijn boekhouder bellen. Dat wil zeggen dat we het afwikkelen bij betaling van de twee maanden. (…) Dus (…) je komt zaterdag betalen en sleutel inleveren? Dan leg ik nl. alle papieren klaar.

    5 mei 2017 – Huurster: De sleutels lever ik in. Met betrekking tot betalen: als het me gisteren niet lukt, lukt het me morgen (helaas) ook nog niet.

    Verhuurder: Je verplichting blijft lopen tot het geld is overgemaakt helaas. (…) Sorry maar ik ben erg netjes met je gebleven ondanks al dat gedoe eromheen. (…) Je hebt echt tot eind mei. Start de maand juni en dingen zijn niet afgewikkeld, moet ik je helaas ook juni chargen.

    U raadt het al. De huurster heeft op de betreffende zaterdag wel de sleutels ingeleverd, maar niets betaald. De vraag is nu, of de huurovereenkomst is beëindigd en zij behalve twee maanden huur niets is verschuldigd. De verhuurder stelde dat geen overeenstemming was bereikt – betaling vóór eind mei was immers de voorwaarde – en vorderde doorbetaling van de huur, vermeerderd met boetes, rente en kosten.

    De kantonrechter volgde – naar mijn mening ten onrechte – de huurster en honoreerde haar beroep op het Whatsapp-bericht “dat we het afwikkelen bij betaling van twee maanden” omdat door de verhuurder op 4 mei “zonder voorbehoud is voorgesteld om de huurovereenkomst af te wikkelen” en de huurster “voorlopig niet kon betalen”. De verhuurder heeft volgens de kantonrechter pas een dag later gemeld dat de verplichtingen van de huurster nog doorliepen zolang zij niet had betaald, en dat kon niet want dat was “op 4 mei instemmen met een beëindiging van de huurovereenkomst en op 5 mei daaraan de voorwaarde verbinden van tijdige betaling”.

    De kantonrechter zal hebben gedacht dat € 250,– per maand voor de huurster een zwaardere last was dan voor de verhuurder, want ik lees het Whatsapp-gesprek toch echt anders. Een wettelijke plicht om uitsluitend per Whatsapp te communiceren is dus geen garantie voor goede vonnissen, maar Whatsapp blijft een zegen voor de partij die een afspraak moet bewijzen.

    Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp. Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.

  • Dirk van den Berg in Pompshop: Tanken zonder betalen is diefstal!

    Dirk van den Berg in Pompshop: Tanken zonder betalen is diefstal!

    De meeste niet-juristen wisten het natuurlijk al lang, maar de Hoge Raad heeft het op 20 maart jl. bevestigd: tanken zonder te betalen is diefstal. Om precies te zijn: het was in dit geval diefstal, maar het kan ook iets anders zijn.

    Het lijkt op het eerste gezicht eenvoudig, een no-brainer. Maar de Hoge Raad heeft er serieus over gedacht, en heeft een uitspraak gedaan waarmee het eens en voor altijd (in ieder geval voor een hele tijd) duidelijk is.

    De delictsomschrijving van artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) bepaalt dat wie een goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort wegneemt met het oogmerk om zich dat wederrechtelijk toe te eigenen, diefstal pleegt, en wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar (of een geldboete van ten hoogste € 20.000,–). Voor diefstal is het wegnemen van een goed dus niet voldoende. Meer toegespitst op het tanken: het wegrijden zonder getankte brandstof te betalen is niet voldoende. Een dief moet al bij het tanken (letterlijk: bij het vullen van de tank) het oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigening hebben.

    Het gaat om de verdachte “X” aan wie ten laste was gelegd dat hij in de periode 10 januari 2015 tot en met 10 februari 2015 te Deurningen, gemeente Dinkelland, en Hengelo, gemeente Hengelo, en gemeente Apeldoorn hoeveelheden benzine, toebehorende aan anderen dan aan hem, verdachte, had weggenomen, met het oogmerk zich die hoeveelheden benzine wederrechtelijk toe te eigenen, te weten:

    – op 10 januari 2015 een hoeveelheid benzine toebehorende aan Texaco Weerselo,

    – op 26 januari 2015 en 7 februari 2015 hoeveelheden benzine toebehorende aan Roadrunner Parkweg BV,

    – op 10 februari 2015 een hoeveelheid benzine toebehorende aan BP de Hucht.

    Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp. Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.