Adviseren van funpark keten Jump XL Services B.V. op het gebied van vastgoedrecht en franchise gerelateerde zaken, waaronder doorlopend advies over (nieuwe) huurcontracten, vastgoedontwikkeling, franchisecontracten.
Tag: franchiserecht
-

Track record Katinka advies franchisenemers Albert Heijn geschil met franchisegever jaarlijkse financiële afrekening
Adviseren van en procederen voor de franchisenemers van Albert Heijn in een geschil tussen franchisenemers en franchisegever over de jaarlijkse financiële afrekening over meerdere jaren en doorlopend advies over franchise gerelateerde zaken.
-

Track record Katinka advies Mirage Retail Group huur vastgoed franchise zaken
Adviseren Mirage Retail Group over huur-, vastgoed- en franchise gerelateerde zaken.
-

Dirk van den Berg in Pompshop: Een sprong van 1,5 meter op 100 meter hoogte
Een sprong van 1,5 meter op 100 meter hoogte
1 maart 2021, door Dirk van den Berg
Toen ik de column voor de Pompshop van mei 2020 schreef over huurrecht in tijden van corona, had ik er geen idee van dat we in februari 2021 weer in een lockdown zouden zitten. Tankstations verliezen omzet door de beperking van de shoptijden en er wordt alleen voor het hoognodige gereden, dus minder getankt. Maar tankstations zijn essentiële bedrijven en mogen daarom open zijn, ook na negen uur ’s avonds. Hoe anders is dat voor de retailer Sports Unlimited (met 100 Perry Sport en Aktiesport winkels) voor wie ik als advocaat optrad toen een van haar verhuurders haar faillissement aanvroeg. Kleding en schoenen lieten in 2020 de allergrootste verkoopdip zien, en alle honderd winkels van deze keten zijn sinds 15 december verplicht gesloten. Daardoor werden de beste weken van het jaar 2020 gemist.
Om niet onnodig liquiditeit te verliezen besloot de directie om over de maanden januari en februari de helft van de huur te betalen. Dat beleid is geheel in lijn met hoe de Nederlandse rechters erover denken: In de maanden mei tot en met december 2020 zijn er ruim veertig kort geding vonnissen gewezen waarin de rechter huurders van door de coronamaatregelen getroffen winkel- en horecaruimte toestond de huur tot 50% op te schorten. In deze jurisprudentie valt de regel te ontdekken dat, zodra er een substantiële terugval in omzet optreedt, een huurkorting mag worden toegepast gelijk aan de helft van het percentage van de (door de coronamaatregelen veroorzaakte) omzetvermindering. Inmiddels zijn er ook verschillende uitspraken in bodemzaken waarin de korting ‘definitief‘ (er is nog wel hoger beroep mogelijk!) is toegekend. Verschillende rechters hebben de door de huurder (te) ontvangen coronasubsidies (NOW, TOG en TVL) daarbij als omzet aangemerkt, waardoor het kortingspercentage lager uitkomt.
Vanuit deze achtergrond is besloten om niet te zwichten voor de powerplay van deze verhuurder van één van deze honderd winkels. De huur voor deze winkel had natuurlijk best betaald kunnen worden, maar de directie voelde er niets voor om deze actie die zij in haar persbericht “volstrekt ongepast en niet proportioneel” heeft genoemd, te belonen met volledige betaling, terwijl het gros van de verhuurders had ingestemd met een gedeeltelijke betaling.
Voor het bewerkstelligen van een faillissement moet de verzoeker zowel zijn eigen vorderingsrecht aantonen als “feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat zijn schuldenaar verkeert in de toestand dat deze heeft opgehouden te betalen”. In het algemeen wordt die toestand aangenomen als er meerdere schuldeisers met steunvorderingen zijn terwijl tenminste één vordering opeisbaar is.
Mijn kantoorgenoten en ik hadden de vordering van de verhuurder uitvoerig betwist – wij waren in de tussentijd ook een procedure tot huurverlaging bij de kantonrechter begonnen – en hadden duidelijk gesteld dat ook de door de aanvrager genoemde andere verhuurders de helft van de huur hadden ontvangen. Maar zekerheid van een goede afloop hadden we niet. De makelaar die de onderhandelingen met de verhuurders voert vergeleek de situatie treffend met een sprong van 1,5 meter op 100 meter hoogte: je weet haast zeker dat je ongeschonden aan de overkant bereikt, maar als het toch mis gaat val je erg diep.
Na tweeënhalve dag van afwachten in spanning was daar de beschikking: het verzoek van de verhuurder werd afgewezen omdat de huurder tot aan de uitspraak in de bodemprocedure de betaling van de niet betaalde helft van de huur mag opschorten. Zodoende is volgens de rechtbank niet “summierlijk” komen vast te staan dat de verhuurder een vordering op zijn huurder heeft. En wij, wij sprongen een gat in de lucht.
Lees hier het persbericht van Sports Unlimited en de beschikking van de afwijzing van het faillissementsverzoek.
Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp. Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.
-

Track record Dirk wet franchise franchisenemers McDonald’s
Adviseren van de franchisenemers van McDonald’s in verband met de invoering van de Wet franchise
-
Dirk van den Berg in Pompshop: De Paal – Dappere CODO
De Paal – Dappere CODO
1 februari 2021, door Dirk van den Berg
Wie procedeert tot aan de Hoge Raad krijgt niet alleen een oordeel van deze hoogste rechter, maar ook een advies van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad. Het is een advies aan de Hoge Raad. De Hoge Raad hoeft dat advies, conclusie genaamd, niet te volgen, maar doet dat in de meeste gevallen wel.
In de eerste week van dit jaar verschenen er op rechtspraak.nl twee van deze conclusies in de cassatieberoepen die de exploitant van het rijkswegstation De Paal (bij het plaatsje Wilp) heeft ingesteld tegen twee uitspraken van de gerechtshoven Den Haag en Den Bosch. De exploitant, DPW, een zogenaamde toegewezen exploitant exploiteerde het station op basis van het “standaard exploitatiecontract” voor toegewezen exploitanten, en ontving op de brandstoffen de voor het laatst in de jaren ’80 van de vorige eeuw aangepaste standaard kortingen (ook wel Bovag-marge genoemd) van € 4,83 per 100 liter op de adviesprijs voor benzines en van € 3,52 op de adviesprijs voor diesel.
Het was DPW een doorn in het oog dat DODO-tankstations aanmerkelijk betere inkooprijzen kregen. DPW heeft daarom haar verhuurder en leverancier Esso gedagvaard om de kortingen te verkrijgen die Esso aan DODO-tankstations verstrekte. Nadat DPW in 2016 bij de Hoge Raad de procedure verloor waarin zij rechtstreeks deze marges claimde, is zij in 2017 een nieuwe procedure begonnen, en voor de periode vanaf 2012 ook tegen haar nieuwe leverancier/verhuurder Total, die de veiling van De Paal in 2011 had gewonnen.
In deze procedures heeft DPW haar vorderingen gebaseerd op de weigering van deze leveranciers om in onderhandeling te treden en zo samen de prijs voor de te leveren brandstoffen te bepalen. Door niet te onderhandelen, maar in plaats daarvan zelf de prijzen vast te stellen, hebben zij volgens DPW wanprestatie gepleegd (want in strijd gehandeld met de goede trouw) of zelfs onrechtmatig gehandeld, waardoor DPW schade heeft geleden. DPW meent dat de oliemaatschappijen haar deze schade moeten vergoeden, waarna DPW in de positie zou komen waarin zij had verkeerd als zij met de oliemaatschappijen wel in goed overleg tot een passende had kunnen komen.
Zowel de rechtbanken in Breda en Den Haag als in hoger beroep de gerechtshoven volgen DPW niet in deze redenering. Uit het standaard exploitatiecontract volgt immers niet dat er onderhandeld moet worden: de “handelaarsprijzen” waartegen de oliemaatschappijen de toegewezen exploitanten moeten beleveren zijn de prijzen waartegen zij ook de (gewone) CODO-exploitanten leveren. Ook de Advocaat-Generaal volgt DPW niet, en adviseert de Hoge Raad om de vorderingen af te wijzen. Ik verwacht dat dat ook zal gebeuren.
Maar het is volkomen terecht dat DPW zich heeft beklaagd over haar leveringscondities. Tot in de jaren ’90 werden deze jaarlijks besproken en zo nodig aangepast in een gezamenlijk overleg tussen het Ministerie van Economische Zaken, de Bovag en de oliemaatschappijen, zodat de exploitanten daaruit hun kosten konden dekken en een redelijk inkomen konden kunnen genereren, vandaar de naam Bovag-marge. In het begin van de jaren ’90 is hieraan een einde gekomen onder invloed van het mededingingsrecht. Sinds 1987 is de Bovag-marge niet meer aangepast of geïndexeerd.
Intussen hebben de oliemaatschappijen hun marge (de groothandelsmarge) behoorlijk weten op te rekken. In 1987 waren de marges voor beide partijen nog ongeveer even groot. In 2015 was de marge van de oliemaatschappijen al drie maal zo groot als die van de CODO-exploitant, en in de coronacrisis hebben zij deze verder weten te verhogen. DODO’s konden wél onderhandelen (zij kunnen immers om de vijf jaar van leverancier wisselen), en hebben wel een goede marge weten te behouden. CODO-exploitanten verdienen al lange tijd niets meer aan de brandstoffen en moeten het hebben van hun shopverkopen. Zij sterven daardoor gestaag uit.
Op grond van deze totaal uit de hand gelopen verhoudingen zie ik wel mogelijkheden voor een vordering tot aanpassing van de contractsvoorwaarden voor DODO’s op grond van onvoorziene, gewijzigde, omstandigheden. De lat daarvoor ligt hoog: het moet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn om de exploitanten aan de overeengekomen voorwaarden te houden. Dat punt is naar mijn idee bereikt. Welke dappere CODO durft dit aan?
Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp. Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.
-

Wet franchise in werking per 1 januari 2021
Wet franchise in werking per 1 januari 2021
29 januari 2021, door Dirk van den Berg en Katinka Verdurmen
De nieuwe Wet franchise is op 1 januari in werking getreden. De franchiseovereenkomst is hierdoor een uitdrukkelijk in het Burgerlijk Wetboek geregelde overeenkomst geworden (net als bijvoorbeeld huur, koop en agentuur).
Een aantal onderdelen van de Wet franchise heeft onmiddellijke werking voor lopende franchiseovereenkomsten. Andere onderdelen worden voor lopende contracten pas in januari 2023 van kracht.
Alle franchiseovereenkomsten die na 1 januari 2021 worden gesloten vallen direct in volle omvang onder de Wet franchise.
Deze wet legt de nadruk op vier onderwerpen:
- De precontractuele uitwisseling van informatie.
- De tussentijdse wijziging van een lopende franchiseovereenkomst.
- De beëindiging van de franchisesamenwerking.
- Het overleg tussen de franchisegever en zijn franchisenemers.
De nieuwe spelregels hebben aanzienlijke gevolgen voor de franchiserelatie. Franchisegevers en franchisenemers doen er verstandig aan om daarover in gesprek te gaan. Het franchiseteam van FORT heeft een overzichtelijk schema van de hoofdlijnen van de wet gemaakt, dat daarbij behulpzaam kan zijn.
Directe werking / uitgestelde werking
Verschillende artikelen van de Wet franchise zijn direct van kracht voor alle lopende en nieuwe franchiseovereenkomsten. Dat betreft de verplichtingen tot informatieverstrekking en overleg in zowel de precontractuele fase als tijdens een lopende franchiseovereenkomst.
De wet bevat ook bepalingen over het instemmingsrecht van de franchisenemer met wijzigingen van de overeenkomst (drempelwaarden), de waardebepaling van de goodwill van de franchisenemer en concurrentiebedingen. Die zullen voor lopende overeenkomsten pas in 2023 gaan gelden, maar zijn direct van toepassing voor overeenkomsten die vanaf 1 januari 2021 worden gesloten.
Drempelwaarden (uitgestelde werking)
Extra aandacht behoeven de artikelen in de Wet die zien op het plegen van investeringen en de mate en wijze waarop de franchisegever dit van de franchisenemer kan verlangen. Er wordt – kort gezegd – een systeem van contractuele “drempelwaarden” geïntroduceerd.
Dit houdt in dat een franchisegever niet zonder instemming van de franchisenemer(s) een wijziging kan doorvoeren die negatieve financiële impact heeft voor de franchisenemer (investeringen of kosten). Slechts voor zover de financiële impact blijft onder een vooraf contractueel afgesproken drempelwaarde, kan de franchisegever de franchisenemer verplichten tot deze wijziging of investering.
Bij wijzigingen met een impact boven de drempelwaarde, is instemming vereist van:
– de meerderheid van de franchisenemers (50% + 1), of
– de franchisenemer(s) die het betreft.Het is van belang goed na te denken over de hoogte van drempelwaarden. Deze mogen in ieder geval niet zo hoog worden vastgesteld, dat er feitelijk nooit instemming is vereist.
Precontractuele uitwisseling van informatie (directe werking)
De Wet franchise schrijft voor welke informatie franchisegevers minimaal moeten delen met hun potentiële franchisenemers, zodat kandidaat-franchisenemers een weloverwogen beslissing kunnen nemen om zich wel of niet aan te sluiten bij de formule. Uiterlijk vier weken voor de ondertekening van de overeenkomst moet de franchisegever alle informatie verstrekken waarvan hij weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat die voor de beslissing van de franchisenemer van belang is. In deze periode mogen er geen aanvullende voorwaarden gesteld worden of wijzigingen doorgevoerd worden die mogelijk negatief of bezwarend uitpakken voor de kandidaat-franchisenemer (standstill periode). De kandidaat-franchisenemer kan in deze periode de verstrekte documenten bestuderen, zelf onderzoek doen en adviseurs raadplegen.
Het verstrekken van een prognose is niet verplicht. Ook het ter beschikking stellen van het handboek is in deze fase nog niet verplicht. De wetgever heeft hiermee aangesloten bij geldende jurisprudentie.
Informatie over tussentijdse wijziging van een lopende franchiseovereenkomst (directe werking)
Wanneer de franchisegever de formule verder wil ontwikkelen (dus: wijzigen) moet hij de franchisenemers tijdig informatie verstrekken over deze wijzigingen. Dit geldt bijvoorbeeld als:
– de franchisegever de franchiseovereenkomst wil wijzigen (de overeenkomst moet daarin dan wel voorzien);
– de franchisenemer moet investeren in zijn onderneming (de overeenkomst moet daarin dan wel voorzien);
– de franchisegever een afgeleide formule wil gaan uitrollen (zoals bijvoorbeeld een webshop).Naast informatie over voorgenomen wijzigingen in de formule moet de franchisegever ook informatie geven over hoe de diverse vergoedingen worden besteed. Zo heeft de franchisenemer de kans om te controleren of door de franchisegever gevraagde bijdragen niet onredelijk hoog zijn. De franchisegever hoeft niet alles inzichtelijk te maken, maar moet wel laten zien waaraan deze bijdragen worden besteed.
Het overleg tussen franchisegever en zijn franchisenemers (directe werking)
De wet bepaalt dat er tenminste één keer per jaar structureel overleg tussen franchisegever en franchisenemer plaats moet vinden. In de praktijk zullen de meeste formules dit al een aantal keer per jaar doen. De wet bepaalt ook dat franchisegevers hun franchisenemers regelmatig ondersteuning moeten bieden in het kader van de franchiseformule. Hoe ver die ondersteuning moet gaan bepaalt de wet niet.
De beëindiging van de franchisesamenwerking (uitgestelde werking)
Duidelijkheid over de waardebepaling van de franchisevestiging
In de franchiseovereenkomst moet duidelijk staan hoe de waarde van de goodwill van de onderneming van de franchisenemer wordt bepaald wanneer hij zijn onderneming wil verkopen. Er kan een rekenmethodiek worden opgenomen, of – bijvoorbeeld – dat een onafhankelijke derde op een professionele manier de waarde bepaalt.Beperking concurrentiebeding
De Wet franchise bepaalt dat het concurrentiebeding van de franchisenemer niet langer mag duren dan een jaar en qua gebied niet groter mag zijn dan het exclusieve werkgebied waar de ondernemer actief was. Dit beding is in lijn met de bestaande jurisprudentie.Advies en hulp bij aanpassing franchiseovereenkomst
Het franchiseteam van FORT onder leiding van Katinka Verdurmen en Dirk van den Berg helpt zowel franchisegevers als franchisenemers bij het opstellen en aanpassen van franchiseovereenkomsten.
[pdf-embedder url=”https://www.actlegal-netherlands.com/wp-content/uploads/Schema-wet-Franchise-Fort-Advocaten_2021.pdf” title=”Schema wet Franchise – Fort Advocaten_2021″]
-

Dirk van den Berg in Pompshop: De felbegeerde positie van exploitant
De felbegeerde positie van exploitant
1 december 2020, door Dirk van den Berg
In de twintig jaar dat ik ondernemers in de tankstationbranche bijsta heb ik ze zien uitsterven, de exploitanten: huurders van een tankstation van een oliemaatschappij met de verplichting de brandstoffen die zij op het tankstation verkopen af te nemen van hun verhuurder, doorgaans tegen de in de jaren ’80 van de vorige eeuw voor het laatst aangepaste Bovag-marge van € 4,83 per 100 liter benzine en € 3,52 per 100 liter diesel; kortingen op de adviesverkoopprijzen van de oliemaatschappijen.
Veel van deze exploitanten konden het hoofd nauwelijks boven water houden. Zij konden immers de brandstoffen niet voor een concurrerende prijs aan de klant aanbieden omdat hun eigen inkoopprijs nog geen 6 cent (inclusief btw) onder de adviesprijs lag, en de kortingen in feite pas beginnen bij dubbele cijfers. De eerste zaak die ik voor deze exploitanten deed was vaak ook de laatste: het bereiken van een afscheidsregeling, al dan niet in het kader van een procedure bij de rechter.
Oliemaatschappijen boden noodlijdende exploitanten soms ook de ‘oplossing’ om agent te worden. Zij hoefden dan de brandstoffen niet meer in te kopen bij de oliemaatschappij, maar kregen een vaste, nog lagere, (doorstroom-) vergoeding voor alle verkochte liters. De oliemaatschappij verkoopt de brandstoffen dan rechtstreeks aan de klant en de huurder van het tankstation (of alleen van de shop) bemiddelt daar uitsluitend bij. Opmerkelijk genoeg kunnen er dan ineens wél hoge kortingen worden gegeven. Gulf (uit Harderwijk) heeft deze constructie vermoedelijk bedacht, maar we kennen hem ook van Esso (tegenwoordig NRGValue/EG) en Tamoil.
“Maar wat” zult u zeggen “is dan nu zo felbegeerd aan de positie van de exploitant”? Het antwoord is te vinden in de Benzinewet. Die bepaalt immers dat de overeenkomst die een “wederpartij” of een “huurder” van de Staat (doorgaans een oliemaatschappij) heeft gesloten met een “exploitant” van rechtswege eindigt bij een veiling van de betreffende rijksweglocatie. Het is dan ook niet zozeer de huurder/ondernemer die ernaar streeft dat de huurder onder deze definitie valt, maar de oliemaatschappij. Die is dan immers zonder enige vergoeding te hoeven betalen van zijn (onder-) huurder af.
De Benzinewet is er duidelijk over wie een “exploitant” is: “een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een onderneming drijft wier werkzaamheden bestaan of mede bestaan uit de verkoop van motorbrandstoffen”. Dat is ook logisch, want de Benzinewet had/heeft als doel “het vergroten van de prijsconcurrentie op en het verruimen van de toetredingsmogelijkheden tot de markt van de verkoop van motorbrandstoffen langs wegen in beheer bij het Rijk”. Partijen die geen brandstoffen verkopen hebben daarmee dus niets van doen.
Maar leer dan de oliemaatschappijen kennen. In de zaak die u allemaal kent uit de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 februari 2020 (ECLI:NL:GHSHE:2020:335) beweert NRGValue dat de huurder van de shop die een vaste vergoeding ontving voor het in de shop afrekenen van de Esso-brandstoffen nog altijd een “exploitant” was. Dan eindigde de overeenkomst met deze (onder-) huurder immers van rechtswege op 31 december 2017 en had deze geen huurbescherming. De kantonrechter en het gerechtshof gaven de NRGValue gelijk. Maar deze zaak ligt bij de Hoge Raad, en in de loop van 2021 zal duidelijk worden of de beslissing van het gerechtshof in stand blijft.
In de zaak waarin ik deze dagen op pad was, gaat Kuwait Petroleum nog een stapje verder, door te beweren dat ook de huurder van een shop bij een onbemande Tango-rijksweglocatie nog een “exploitant” is. Deze huurder van een winkeltje langs de snelweg heeft helemaal niets met de verkoop van de brandstoffen te maken. Kuwait heeft deze locatie (door het gebruikmaken van de topdeelregeling uit de Benzinewet) kunnen behouden in de veiling van 9 september jl., en heeft de shop vervolgens voor de hoofdprijs aan een andere partij onderverhuurd. Met een kort geding probeert zij de huidige huurder de shop per 8 december a.s. te laten ontruimen. Ik heb mijn best gedaan de rechter ervan te overtuigen dat mijn cliënt geen “exploitant” is, en dat de Benzinewet het huurrecht van mijn cliënt dus niet heeft aangetast. Ik ben benieuwd of dat is gelukt. Voor de rechter was deze materie helemaal nieuw. Het vonnis wordt op 7 december a.s. verwacht.
Deze column is geschreven voor Pompshop. Het onafhankelijke vakblad voor tankstations en carwash. Dirk van den Berg is ruim 15 jaar gespecialiseerd in tankstationszaken en gaat in Pompshop maandelijks in op een juridisch onderwerp. Vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.
-

Katinka Verdurmen geïnterviewd door Franchise+ over de transformatie van Mirage Retail Group
De transformatie van Mirage Retail Group
21 november 2020, in Franchise+
Dit artikel is tevens gepubliceerd op de website van Franchise+.
[pdf-embedder url=”https://www.actlegal-netherlands.com/wp-content/uploads/Franchise-2020-11-21-Interview-Katinka-Blokker-Intertoys.pdf” title=”Franchise+ 2020-11-21 Interview Katinka Blokker Intertoys”]
-
Dirk van den Berg en Katinka Verdurmen geïnterviewd door De Nationale Franchise Gids
Interview met Dirk van den Berg en Katinka Verdurmen
23 september 2020, gepubliceerd op de website van De Nationale Franchise Gids.
Fort Advocaten (“FORT”) is een middelgroot advocatenkantoor in Amsterdam, gespecialiseerd in vastgoedrecht en ondernemingsrecht met een leidende positie in de retail- , vastgoed- en hotels & leisure branche. FORT heeft een franchise team bestaande uit 8 specialisten die zowel franchisegevers als franchisenemers adviseren. De Nationale Franchise Gids spreekt met partner Dirk van den Berg en managing partner Katinka Verdurmen.
Snijvlak franchiserecht en huurrecht
FORT heeft niet alleen veel expertise op het gebied van franchiserecht, maar is daarnaast specialist als het gaat om huurrecht. Het snijvlak van deze twee rechtsgebieden vormt vaak een belangrijk onderdeel van de afspraken die franchisegevers en -nemers onderling maken. In de eerste maanden van de coronapandemie was er ook tussen franchisegevers en franchisenemers veel te doen op het gebied van huurrecht. “Er lijkt nu wel weer wat rust in te komen”, aldus Verdurmen.
Aankomende Wet Franchise
Ook krijgt FORT volop vragen over de aankomende Wet Franchise, waarop veel formules al voorsorteren. FORT heeft al voor meerdere franchiseformules gewerkt aan een vernieuwde franchiseovereenkomst. “We krijgen veel vragen als: ‘Moet ik iets doen met de huidige overeenkomst?’ of ‘Hoe doe ik dit hands-on zonder het te ingewikkeld te maken voor beide partijen?’”, vertelt Katinka Verdurmen. “Er zijn formules waarbij niet veel aangepast hoeft te worden, soms is het een kwestie van opschrijven wat er feitelijk al gebeurt. Dat kan dan door het toevoegen van een pagina met extra afspraken. Soms kan het zinvol zijn om de hele overeenkomst even tegen het licht te houden.”
Balans tussen franchisegever en -nemer
Waar moet je nu precies op letten bij het opstellen van een nieuw franchisecontract? Katinka Verdurmen: “Het is belangrijk om drempelwaarden te benoemen voor beslissingen met financiële impact voor de franchisenemers. Boven de drempelwaarden is instemming van de franchisenemers nodig. Daarnaast is van belang om het overleg tussen de partijen te formaliseren. Constructief overleg is van groot belang in een franchiserelatie. ” Verdurmen vertelt dat veel partijen bang zijn dat franchisenemers de neiging zouden kunnen hebben om het afspreken van drempelwaarden uit de weg te gaan, zodat voor elke wijziging met financiële impact hun instemming nodig is. Zij denkt dat die angst onterecht is, omdat franchisenemers ook ondernemers zijn en begrijpen dat de franchisegever ruimte moet hebben om te ondernemen. Daarbij moet uiteraard wel rekening gehouden worden met hun belangen. Daarnaast verwacht zij dat de rechter desgevraagd zal ingrijpen als franchisenemers zich onredelijk opstellen en mogelijk op die manier ontwikkelingen binnen de formule tegenhouden.
Dirk van den Berg vult aan: “Het is wel belangrijk dat een franchisenemer de franchisegever zijn werk laat doen. Je gaat er vanuit dat een franchisenemer een formule kiest op basis van vertrouwen en hij moet er dan ook tot op zekere hoogte vertrouwen in hebben dat de franchisegever de juiste beslissingen neemt. Partijen hebben belang bij transparantie. Dat is waar de Wet vooral over gaat. “
Geschillen
Van den Berg verwacht niet dat de Wet Franchise direct tot een groot aantal geschillen leidt. Over het algemeen genomen gaat het wel goed en komen beide partijen er samen uit. Het zijn de gevallen waar dat niet is gelukt die hebben geleid tot de Wet Franchise.
Voor beide partijen
FORT werkt voor gerenommeerde franchiseformules zoals Blokker, Intertoys en Jumpsquare Group. Daarnaast ondersteunt zij ook franchiseverenigingen van o.a. Albert Heijn en McDonald’s. “Omdat wij aan tafel zitten bij zowel franchisegevers als franchisenemers, weten wij hoe het van beide kanten werkt en daardoor kunnen wij beslagen ten ijs komen”, aldus Dirk van den Berg.
Voor vragen over de nieuwe Wet Franchise of andere franchise gerelateerde vragen kunt u terecht bij de franchiserecht advocaten van FORT.
