Categorie: Vastgoedrecht

  • Horeca en huur

    Horeca en huur

    Fort Advocaten organiseert regelmatig seminars en workshops. Tijdens de horecaworkshop van 3 februari 2014 spraken wij over zaken die voor een huurder van horecaruimte van belang zijn. Wat als je veranderingen wilt aanbrengen, bijvoorbeeld door een muurtje naar een binnenplaats door te breken? Hoe kan je huurtermijnen veilig stellen en grip houden op de huurprijs? Als je een horecaonderneming verkoopt of koopt, is het dan zeker dat deze op dezelfde plek kan blijven? Of kan dat alleen maar als de verhuurder daar mee instemt? Als een financier een huurintredingsrecht wenst. Hoe werkt dat dan?

    Bekijk hier de casus die tijdens de workshop is behandeld.

    Er is natuurlijk ook veel niet aan bod gekomen. Een greep.

    • Wat als je niet alleen het horecapand maar ook de onderneming huurt van de verhuurder?
    • Hoe zit het met exclusieve afnamebedingen in een huurovereenkomst?
    • En wie is verantwoordelijk voor de benodigde vergunningen of ontheffingen om in het gehuurde te exploiteren conform de contractuele bestemming?
    • Waar moet je op letten als je een huurprijs afspreekt die gerelateerd is aan de omzet?

    Ook daarover adviseren wij graag.

  • Hoge Raad: faillissementspauliana geen grondslag voor vernietiging van een juridische splitsing

    Juridische afsplitsing

    Een vennootschap kan door een juridische afsplitsing haar vermogen overdragen aan een of meer nieuwe vennootschappen. De vennootschap waarvan wordt afgesplitst heeft normaal gesproken diverse contractspartijen, zoals bijvoorbeeld de verhuurder van haar winkelruimte. Bij een afsplitsing kan de huurovereenkomst dan worden overgedragen op een van de verkrijgende vennootschappen. Dit zorgt ervoor dat de verhuurder tegen zijn zin te maken krijgt met een nieuwe huurder. Deze kan financieel zwakker zijn dan zijn eerdere huurder. Mogelijk gaat de nieuwe huurder zelfs op korte termijn failliet.

    Verzet

    Voor de splitsing is geen medewerking van contractspartijen nodig. Deze partijen staan echter niet per se met lege handen: de wet geeft hen – in sommige gevallen – mogelijkheden in verzet te gaan tegen een (voorgenomen) splitsing. FORT heeft recent een artikel gepubliceerd waarin deze mogelijkheden worden besproken. Ook wordt in het artikel besproken hoe een verhuurder – in een vroeg stadium – waarborgen kan bedingen voor het geval een huurder over wil gaan tot splitsing.

    Naast de mogelijkheden van verzet en het bedingen van waarborgen kan een splitsing in beperkte gevallen ook (door de rechter) worden vernietigd (artikel 2:334u BW). In geval van faillissement is een belangrijke vraag of ook een curator de splitsing kan terugdraaien (op grond van artikel 42 Faillissementswet). Het idee van artikel 42 Fw is dat een curator onder omstandigheden een vroegere rechtshandeling van een vennootschap kan vernietigen als deze onverplicht was aangegaan en de schuldeisers van de failliete partij daardoor zijn benadeeld. Voor de verhuurder kan dit relevant zijn omdat bij een vernietiging van de splitsing de eerste (wellicht gezondere) vennootschap weer in beeld komt.

    Faillissementspauliana

    In een recent arrest van de Hoge Raad is deze vraag aan de orde gekomen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat naast de gronden van artikel 2:334u BW, geen plaats is voor vernietiging van een splitsing op grond van de faillissementspauliana. De gronden om een splitsing te vernietigen zijn dus uitputtend geregeld in artikel 2:334u BW. Voor bijvoorbeeld een verhuurder is het daarom belangrijk direct in actie te komen zodra een huurder het voornemen tot splitsing kenbaar heeft gemaakt.

    In genoemd door Fort Advocaten gepubliceerd artikel over de juridische splitsing, wordt het splitsingstraject en de juridische positie van huurder en verhuurder uitgebreid behandeld.

  • Werking schadevergoedingsbeding in huurovereenkomst bij faillissement

    Vandaag – 15 november 2013 – heeft de Hoge Raad een uitspraak gedaan over de geldigheid van een contractueel schadevergoedingsbeding in een huurovereenkomst bij faillissement van de huurder. Een dergelijk beding stond bijvoorbeeld in artikel 7.3 van de algemene bepalingen bij de modelhuurovereenkomst voor winkelruimte van de Raad voor Onroerende Zaken uit 1994. Op grond van dat beding moet huurder aan verhuurder alle schade vergoeden die het gevolg is van een tussentijdse beëindiging van de huurovereenkomst, bijvoorbeeld door opzegging door de curator bij faillissement van de huurder op grond van artikel 39 Faillissementswet (Fw).
    [space5]
    De uitspraak geeft een nadere uitleg aan het arrest Aukema q.q./Uni-Invest. In die uitspraak is door de Hoge Raad beslist dat een opzegging op grond van artikel 39 Fw de verhuurder geen recht geeft jegens de failliete boedel op schadevergoeding wegens gemis aan huur, ook niet als dat contractueel is bedongen. In de uitspraak van vandaag legt de Hoge Raad uit dat het beding wel geldig is jegens de gefailleerde huurder zelf, ook indien de huurovereenkomst wordt opgezegd ex artikel 39 Fw. Er wordt dus een onderscheid gemaakt tussen enerzijds de gefailleerde huurder en anderzijds zijn boedel.
    [space5]
    Duidelijk is dat het schadevergoedingsbeding volgens de Hoge Raad in de basis geldig is. De schadevergoedingsvordering kan alleen niet door de verhuurder op de boedel worden verhaald. Wel kan de verhuurder op grond van het beding een derde, die zich als garant of borg heeft verbonden voor de verplichtingen van de huurder, aanspreken voor zijn schade, tenzij bij het aangaan van de garantie of borg anders is afgesproken.
    [space5]
    De Hoge Raad zegt verder dat de garant of borg zijn regresvordering op de gefailleerde huurder niet bij de curator kan indienen. Dat is logisch, want anders komt de schadevergoeding via een achterdeur alsnog in de boedel terecht. Hieraan kan de garant of borg volgens de Hoge Raad mogelijk een verweer ontlenen tegen de verhuurder, maar de Hoge Raad maakt niet duidelijk wat hij daarmee bedoelt.
    [space5]
    Wij verwachten dat deze uitspraak ertoe zal leiden dat verhuurders in toenemende mate weer schadevergoedingsbedingen in hun huurovereenkomsten zullen opnemen.
    [space5]

    Auteur: Wies Janssen en Helma Sengers

    Neem voor meer informatie over dit onderwerp contact op met Duco van Dongen. Duco van Dongen werkt sinds mei 2014 als advocaat bij Fort Advocaten binnen de sectie Faillissementsrecht.

  • Versoepeling regels voor verkoop van corporatiewoningen aan beleggers

    Versoepeling regels voor verkoop van corporatiewoningen aan beleggers

    Per 1 oktober a.s. treedt de nieuwe “Circulaire verkoop corporatiewoningen” in werking. De voorgaande circulaire van 1 november 2011 komt dan te vervallen.

    Met deze nieuwe regelgeving wordt het voor woningcorporaties eenvoudiger om geliberaliseerde en mogelijk te liberaliseren woningen afzonderlijk en/of complexgewijs te verkopen aan beleggers. De volgende nieuwe elementen uit de circulaire moeten daarvoor zorgen.

    Aanbiedingsplicht aan zittende huurders komt te vervallen

    Geliberaliseerde of te liberaliseren woningen hoeven niet meer eerst te koop te worden aangeboden aan de zittende huurders. Een woningcorporatie kan nu direct met een belegger onderhandelen. Toestemming van de minister blijft vereist.

    Vaststelling maximale huurprijs

    Voortaan wordt op basis van de kwaliteit van de woningen vastgesteld of deze een maximale huurprijs boven of onder de liberalisatiegrens hebben. De feitelijke huurprijs van een woning, die vaak lager zal zijn dan de maximaal toegestane huurprijs, is dus niet meer leidend. Daarnaast worden leegstaande nieuwbouwwoningen in ieder geval gerekend tot woningen met een maximale huur boven de liberalisatiegrens. Hierdoor zullen naar verwachting meer woningen worden gerekend tot het geliberaliseerde segment.

    Proportionaliteit bij complexgewijze verkoop

    Verder wordt bij de verkoop van complexen waarin zowel geliberaliseerde als niet geliberaliseerde woningen voorkomen, vanaf 1 oktober a.s. uitgegaan van proportionaliteit. Als meer dan 90% van de woningen een maximale huur boven de liberalisatiegrens hebben, wordt het hele complex als geliberaliseerd aangemerkt.

    Let op

    Let er op dat deze regelingen alleen gelden in het kader van de verkoop van deze woningen door de woningcorporatie. Deze zetten de geldende huurprijsbescherming van huurders niet opzij. Het is voor de belegger dus niet mogelijk om na de aankoop (van het complex) ook (direct) een geliberaliseerde huur te vragen voor de woningen die een feitelijke huur onder de liberalisatiegrens hebben. Dit geldt ook voor woningen die een maximale huur onder de liberalisatiegrens hebben maar als gevolg van de proportionaliteitsregel bij de verkoop van het complex mochten “meetellen” als geliberaliseerd.

    Waardebepaling

    Tot nu toe moest bij de taxatie van geliberaliseerde of te liberaliseren woningen worden uitgegaan van de vrije verkoopwaarde in onverhuurde staat. Vanaf 1 oktober a.s. verandert dat en mogen deze woningen, met uitzondering van onverhuurde woningen in een complex, worden getaxeerd en verkocht tegen de marktwaarde. Daardoor kan bij de waardebepaling voortaan rekening worden gehouden met (bijvoorbeeld) de omstandigheid dat een woning is verhuurd. Hiermee wordt beoogd een betere aansluiting bij de markt te vinden.

    Katinka Verdurmen & Irene Hofhuis

     

  • Doorstart na faillissement: voorkom een huurbeëindiging

    Ondernemers die een failliet bedrijf of deel daarvan doorstarten, willen vaak de bijbehorende bedrijfsruimte blijven huren. Dat dit kan, is niet altijd vanzelfsprekend. De curator heeft hierop een flinke invloed.

    De doorstarter kan van de bedrijfsruimte gebruik blijven maken, als hij daarvan de nieuwe huurder wordt. Daarvoor is nodig dat de verhuurder er op verzoek van de curator mee instemt dat de doorstarter als huurder in de plaats van de failliet wordt gesteld. Wanneer de verhuurder dit weigert, kan de curator op grond van artikel 7:307 BW een indeplaatsstelling van de failliet als huurder vorderen.

    Maar let op: de verhuurder kan proberen aan de indeplaatsstelling te ontkomen door de huurovereenkomst op te zeggen. Artikel 39 Faillissementswet biedt zowel de verhuurder als de curator de mogelijkheid tot opzegging wegens het faillissement. Als de huurovereenkomst is geëindigd, is een indeplaatsstelling niet meer mogelijk. Een verhuurder die niet gelukkig is met een mogelijke indeplaatsstelling zal deze opzeggingsbevoegdheid dus al gauw aangrijpen.

    Een opzegging door de verhuurder leidt echter niet tot beëindiging van de huurovereenkomst als hij misbruik maakt van zijn opzeggingsbevoegdheid. Dit kan onder meer het geval zijn als de verhuurder geen schade lijdt door het faillissement, bijvoorbeeld doordat er geen huurachterstand is.

    Optreden van de curator is essentieel

    Een rechter zal tijdens een indeplaatsstellingsprocedure over het algemeen alleen oordelen dat de huurovereenkomst ondanks de opzegging door de verhuurder niet is geëindigd, als de curator tijdig heeft laten weten dat hij niet met de opzegging instemt. De curator doet er daarnaast verstandig aan om de verhuurder zo vroeg mogelijk te laten weten dat hij zich het recht voorbehoudt om in verband met een (mogelijke) doorstart een indeplaatstelling te vorderen. De verhuurder weet zo dat hij niet zonder meer mag verwachten dat zijn huuropzegging tot het einde van de huurovereenkomst leidt.

    Handelt de curator niet voldoende adequaat na opzegging van de verhuurder, dan kan dit het einde van de huurovereenkomst betekenen. De kansen op een indeplaatsstelling van de doorstarter zijn dan verkeken.

    Advies: kijk met de curator mee

    Het optreden van de curator is dus bijzonder bepalend voor de kans dat u als doorstarter gebruik kunt blijven maken van de bedrijfsruimte. Kijk daarom als doorstarter met de curator mee en oefen invloed uit op zijn communicatie met de verhuurder.
    Als u erover twijfelt of de curator voldoende adequaat reageert op een huuropzegging na faillissement, kan de inschakeling van een advocaat die dit kan beoordelen u als doorstarter veel opleveren: een juiste aanpak kan een succesvolle opzegging door de verhuurder tegengaan en de voorgenomen doorstart daarmee maken of breken!

    Auteur: Irene Hofhuis

  • Stookkosten van woonruimte: nieuwe wetgeving?

    Aanleiding

    Onder de kop “Noodklok om stookkosten” berichtte het Parool dat SP-kamerlid Paulus Jansen zich het lot heeft aangetrokken van huurders die, als gevolg van de ‘lakse houding’ van verhuurders, teveel stookkosten betalen.  Ook NU.nl bracht dit nieuws. Als voorbeeld wordt het Hilwiscomplex in Amsterdam Zuid genoemd, waar de huurders – volgens het bericht – bijna 450 euro per maand aan stookkosten betalen omdat de verhuurder niet bereid is de oude blokverwarming te vervangen.

    Opnieuw wetsvoorstel “Initiatiefrecht huurders”

    De SP meent dat het in 2011 ingetrokken wetsvoorstel “Initiatiefrecht huurders” in afgeslankte vorm opnieuw in behandeling moet worden genomen. Volgens dat wetsvoorstel  moest de verhuurder een redelijk voorstel van de huurder voor een renovatie uitvoeren. Daar stond tegenover dat de huurder bereid moest zijn een redelijke huurverhoging te betalen. Jansen wil dit voorstel nu specifiek op stookkosten toesnijden.

    De wet (artikel 7:243 BW) bepaalt voor  woonruimten nu al dat de rechter een verhuurder kan dwingen om op eigen kosten bepaalde verbeteringen (w.o. vervanging van een verwarmingsketel) aan te brengen. De voorwaarde daarvoor is dat de bestaande ketel ten minste tien jaar oud  is.  In ruil daarvoor moet de huurder zich bereid verklaren tot het betalen van een huurverhoging die in redelijke verhouding staat tot de kosten van de verbeteringen.

    Deze bepaling zou kunnen worden uitgebreid, zodanig dat niet alleen de ketel, maar de gehele verwarmingsinstallatie  onder de werking van het artikel valt.

    Verhuurder is niet altijd kwade pier

    Wat opvalt is dat Jansen voetstoots uit gaat van een lakse houding van verhuurders. Er zijn ook andere voorbeelden.  Zoals het geval van een verhuurder die bereid was een oude collectieve installatie  te vervangen door individuele installaties, maar ‘stukliep’ op de weigering van meer dan de helft van de huurders om daaraan mee te werken. Het is daarom zaak bij het (her)formuleren van artikel 7:243 ook acht te slaan op de positie van de welwillende verhuurder en te zorgen dat de rechter, indien de verhuurder wordt gedwongen om tot vervanging over te gaan, ook de (andere) huurders moet dwingen om die vervanging te gedogen. En, indien van toepassing, een hogere huurprijs te voldoen.

  • Amsterdam mag erfpacht aanpassen

    Onrust onder erfpachters in Amsterdam. De gemeente Amsterdam mag de canon – de jaarlijkse vergoeding voor de erfpacht – op basis van de huidige marktwaarde herzien. Dat heeft de rechtbank op 5 juni 2013 bepaald in een rechtszaak die verschillende huiseigenaren tegen de gemeente hadden aangespannen.

    De rechtbank vat de kwestie als volgt samen (Bron: rechtspraak.nl) http://www.rechtspraak.nl/Organisatie/Rechtbanken/Amsterdam/Nieuws/Pages/Amsterdam-mag-erfpacht-aanpassen.aspx):
    “In Amsterdam staan verreweg de meeste woningen op grond die eigendom is van de gemeente. Voor het gebruik van die grond betalen de bewoners een jaarlijkse pachtsom: de canon. Bij het afsluiten van de canon werd destijds afgesproken dat de gemeente deze na een termijn van 75 jaar kon herzien op basis van een onafhankelijk deskundig oordeel. Die termijn is verlopen en nu wil de gemeente de canon aanpassen.

    De Stichting Erfpachters Belang (SEBA) en een aantal particuliere bewoners zijn het daarmee oneens. Omdat er destijds geen herzieningsbepaling met die strekking in de vestigingsakte was opgenomen, mag de canon volgens hen nu niet worden herzien op basis van de huidige marktwaarde van de grond. Ook menen zij dat de deskundigenrapporten, waarop de gemeente de huidige herziening baseert, uitgaan van verkeerde uitgangspunten en rekenmethoden.

    De rechtbank Amsterdam oordeelt anders: omdat een herziening van de canon wel is voorzien in de Algemene Bepalingen mag de gemeente deze wel degelijk doorvoeren. Daarnaast geldt dat de deskundigen zelf mogen bepalen welke uitgangspunten en methoden ze hanteren. Kortom: herziening van de canon op grond van de huidige marktwaarde van de grond is toegestaan. Wel vindt de rechtbank dat de deskundigen beter hadden moeten uitleggen hoe ze tot hun oordeel zijn gekomen.”

    Naar verwachting volgen er komende tijd nog meer uitspraken over dit onderwerp. En: de gemeente is momenteel ook bezig met een herziening van het erfpachtstelsel; daarover binnenkort meer.

    Auteurs: Dick de Gelder en Floor Frank
    Voor vragen kunt u zich wenden tot de sectie Bestuursrecht.

  • Einde huurovereenkomst tijdens faillissement. Heeft de curator een wegbreekrecht?

    Vaak brengt de huurder van een bedrijfsruimte tijdens de huurovereenkomst voorzieningen aan. Hierdoor wordt de bedrijfsruimte geschikt voor het overeengekomen gebruik. Bijvoorbeeld een carwash installatie, zodat de bedrijfsruimte kan worden geëxploiteerd als carwash center.

    Aanvankelijk is die installatie een roerende zaak. Onder omstandigheden kan die evenwel  een bestanddeel van de bedrijfsruimte gaan vormen. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als verwijdering van de installatie ertoe zou leiden dat de bedrijfsruimte niet meer kan worden gebruikt als carwash center.

    De installatie verandert daardoor van een roerende in een onroerende zaak. De bestanddeelvorming zorgt er daarnaast voor dat de eigenaar van de bedrijfsruimte (meestal de verhuurder) door natrekking ook eigenaar van de installatie is geworden.

    Situatie bij einde huur?
    Maar hoe zit het bij het einde van de huurovereenkomst als de huurder de installatie wil meenemen omdat hij hier nog financieel voordeel aan kan behalen, terwijl deze inmiddels door natrekking een onroerende zaak en eigendom van de verhuurder is geworden?

    Het wettelijke wegbreekrecht
    Deze situatie is geregeld in artikel 7:216 van het Burgerlijk Wetboek. Ondanks de natrekking die heeft plaatsgevonden is de huurder tot het verlaten van de bedrijfsruimte bevoegd om de installatie weg te breken. Deze wordt dan weer een roerende zaak. Let er wel op dat in de huurovereenkomst van deze regel kan zijn afgeweken.

    De wet verbindt wel een belangrijke voorwaarde aan dit wegbreekrecht. De bedrijfsruimte moet door de huurder worden teruggebracht in de oorspronkelijke staat. Dus als door het wegbreken schade ontstaat terwijl daarvan bij het begin van de huur geen sprake was, moet de huurder die herstellen. Is hij dat niet van plan, dan bestaat er geen wegbreekrecht. Als de huurder de installatie dan toch wegbreekt, maakt hij inbreuk op het eigendomsrecht van de verhuurder en is hij schadeplichtig

    Het wegbreekrecht en aansprakelijkheid van curator
    De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft onlangs uitgemaakt dat dit ook geldt voor de curator van een failliete huurder. De curator heeft dus geen wegbreekrecht als hij niet van plan is de daardoor voor de verhuurder te ontstane schade te herstellen. Haalt hij de installatie toch weg, dan maakt hij inbreuk op het eigendomsrecht van de verhuurder en kan hij (zelfs persoonlijk) aansprakelijk zijn voor de schade.

  • Verruiming mogelijkheden tijdelijke verhuur

    Verruiming mogelijkheden tijdelijke verhuur

    Het wetsvoorstel Verruiming mogelijkheden tijdelijke verhuur bij leegstand gebouwen en woningen is 18 juni jl. als hamerstuk afgedaan door de Eerste Kamer. De wijziging van de Leegstandwet treedt per 1 juli 2013 in werking.

    Wat maakt de wijziging mogelijk?

    Woonruimte in leegstaande kantoren
    De maximale duur van de vergunning voor de verhuur van leegstaande kantoren wordt verlengd van vijf naar (maximaal) tien jaar. Volgens minister Blok maakt deze verruiming het lonend om bijvoorbeeld leegstaande kantoren om te bouwen naar woonruimte. Eigenaren kunnen hun investeringen immers makkelijker terugverdienen binnen tien jaar dan binnen vijf jaar. Bij een tijdelijke ontheffing van het bestemmingsplan wordt de leegstandsvergunning in één keer verleend voor de duur van de ontheffing van het bestemmingsplan. Dit geldt niet alleen voor leegstaande kantoren, maar ook voor scholen, ziekenhuizen en bijvoorbeeld verpleeghuizen.

    Tijdelijke verhuur te koop staande woning
    Ook na de wijziging van de Leegstandwet is een vergunning van de gemeente vereist voor tijdelijke verhuur. De vergunningverlening garandeert aan de verhurende eigenaar dat de tijdelijke huurovereenkomst daadwerkelijk eindigt als de termijn is verstreken en biedt voor de hypotheekverstrekker de zekerheid dat de woning direct leeg kan worden verkocht. De vergunning wordt in één keer verleend voor de duur van vijf jaar en kan niet worden verlengd. In de wijziging is bovendien geregeld dat een eigenaar (voor zover het geen rechtspersoon betreft) maximaal twee te koop staande woningen tegelijk en tijdelijk kan verhuren.

    Huurwoningen in afwachting van sloop of renovatie
    Op dit moment blijken sloop- en renovatieplannen voor huurwoningen vaak langer te duren dan gepland, daarom is de maximumduur voor tijdelijke verhuur van sloop- en renovatiewoningen verlengd van vijf naar zeven jaar. De panden kunnen nu door de wijziging gedurende de hele periode bewoond blijven.

  • Elke zondag ‘koopzondag’?

    De ‘koopzondag’ is de afwijking van het verbod voor winkeliers om de deuren te openen op zon- en feestdagen. Maar wat is een regel zonder uitzondering? Er bestaan meerdere uitzonderingen op het verbod tot zondagsopenstelling, bijvoorbeeld de vrijstelling door de gemeenteraad voor maximaal 12 zon- en feestdagen per jaar, of de vrijstelling voor toeristische gebieden.

    Over de zondagsopenstelling is al jaren (politiek) gekrakeel. Aanvankelijk leidde dat tot een aanscherping van de regels: een gemeente mocht zichzelf niet al te snel tot toeristisch gebied bestempelen.

    Inmiddels waait er een andere wind: meer vrijheid op dit gebied voor gemeenten om hier hun eigen weg in te kiezen.

    Op 28 mei heeft de Eerste Kamer ingestemd met een initiatief-wetsvoorstel dat de wet wijzigt en de verantwoordelijkheid voor zondagsopenstelling bij gemeenten legt. Waarschijnlijk treedt de wijziging op 1 juli 2013 in werking.

    Maatwerk
    Betekent deze wetswijziging een permanente zondagsopenstelling? Niet per se. De bestaande vrijstellingsmogelijkheden worden uit de wet geschrapt. Gemeenten krijgen meer vrijheid, omdat ze niet meer gebonden zijn aan het maximum van 12 zon- en feestdagen of de toerismebepaling. De wetswijziging geeft de gemeente de mogelijkheid om het koopzondagenbeleid af te stemmen op de lokale economische behoeften en de belangen van de inwoners van die gemeente. Maatwerk is mogelijk.

    Er zal ongetwijfeld wederom veel discussie ontstaan over de invulling van de zondagsopenstelling. Staan we zondagsopenstelling wel of niet toe? Zo ja, welke dagen wel en welke dagen niet? Mogen alle winkels open of slechts bepaalde? Geldt de openstelling voor de hele gemeente of voor een bepaald gebied in de gemeente? En last but not least: hoe wijs je winkels aan die wel/niet de deuren mogen openen op zondag?

    Genoeg vragen die nog beantwoord moeten worden. Een ding is zeker: het begrip ‘koopzondag’ schrappen we voorlopig nog niet uit de Van Dale. Wordt vervolgd.