Categorie: Vastgoedrecht

  • Verkiezingen 2025: dit zijn (tot nu toe) de plannen voor de huurmarkt

    Verkiezingen 2025: dit zijn (tot nu toe) de plannen voor de huurmarkt

    Nieuwe blog claudia

    25 augustus 2025, door Claudia van Meurs-Janssens

    Het zomerreces is voorbij en de verkiezingen van 29 oktober 2025 komen snel dichterbij. De (concept)verkiezingsprogramma’s verschijnen één voor één, en ik heb de standpunten van verschillende partijen over de huurmarkt onder de loep genomen. Niet alle partijen hebben het verkiezingsprogramma al gepubliceerd, dus in sommige gevallen ben ik afgegaan op de website van de betreffende partij of het concept verkiezingsprogramma.

    VVD

    Het definitieve verkiezingsprogramma van de VVD wordt op 6 september tijdens het verkiezingscongres vastgesteld. De VVD heeft al wel een concept verkiezingsprogramma gepubliceerd.

    De VVD ziet de wooncrisis als het gevolg van te veel regels, te weinig bouw en een overheid die de markt belemmert. De partij wil de huurmarkt bevrijden van overregulering en ruimte geven aan particuliere investeerders om het aanbod te vergroten en de prijzen te drukken. De VVD stelt dat de opeenstapeling van huurwetten heeft geleid tot een daling van het aantal huurwoningen, vooral in de vrije sector.

    • De VVD wil veel meer private huurwoningen bouwen, zodat het aanbod toeneemt en de huurprijzen dalen.
    • De Wet betaalbare huur wordt geschrapt, omdat deze volgens de VVD investeringen in huurwoningen belemmert en het aanbod verkleint.
    • De lokale zelfbewoningsplicht en het verbod op tijdelijke huurcontracten worden afgeschaft, zodat verhuurders meer flexibiliteit krijgen en woningen sneller beschikbaar komen.
    • De regels voor kamerverhuur worden landelijk en versoepeld, zodat het makkelijker wordt om woonruimte te delen of samen te wonen.
    • Gemeenten moeten overlastgevende huurders sneller kunnen uitzetten en illegale onderverhuur effectiever kunnen aanpakken.
    • Woningcorporaties moeten meer bouwen, en de verkoop van huurwoningen aan particulieren moet niet worden belemmerd.
    • De partij pleit voor een gelijk speelveld tussen huur en koop, onder meer door het afbouwen van fiscale voordelen voor koopwoningen en het stimuleren van middenhuur.

    GroenLinks-PvdA

    Ook GroenLinks-PvdA heeft een concept verkiezingsprogramma online gezet, dat op 27 september definitief wordt vastgesteld.

    GroenLinks-PvdA beschouwt wonen als een grondrecht en wil de regie over de woningmarkt terugbrengen naar de overheid. De partij zet in op betaalbaarheid, duurzaamheid en bescherming van huurders, met een nadruk op sociale rechtvaardigheid.

    • Vaste huurcontracten blijven de norm; tijdelijke contracten worden ontmoedigd vanwege hun negatieve effecten op huurprijzen en woonzekerheid.
    • De verhuurvergunning wordt landelijk ingevoerd, zodat gemeenten huurders beter kunnen beschermen tegen malafide verhuurders.
    • Er komt een wettelijke bovengrens aan huurstijgingen, en de invloed van de WOZ-waarde op de huurprijs wordt beperkt.
    • Verhuurders worden verplicht tot verduurzaming van hun woningen; slechte energielabels worden uitgefaseerd en enkel glas wordt erkend als gebrek.
    • Samenwonen en hospitaverhuur worden gestimuleerd, onder meer door afschaffing van de kostendelersnorm in de bijstand.
    • De verkoop van betaalbare huurwoningen aan commerciële partijen wordt gereguleerd, zodat deze woningen behouden blijven voor de doelgroep.
    • Huisuitzettingen vanwege betaalachterstanden worden beperkt tot gevallen van criminele activiteiten; afsluiting van nutsvoorzieningen wordt verboden.

    D66

    Het verkiezingsprogramma van D66 is nog niet bekend en volgt na het verkiezingscongres. Op de website van D66 is een Woonplan 2025 gepubliceerd met de titel “Wonen voor mensen – Doorbraken om de woiningmarkt weer te laten werken voor mensen”. D66 ziet de wooncrisis als een urgent maatschappelijk probleem dat vraagt om pragmatische oplossingen. De partij wil bouwen voor alle inkomensgroepen, met oog voor betaalbaarheid, flexibiliteit en duurzaamheid. De overheid moet regie voeren, maar zonder de markt volledig uit te sluiten.

    • D66 wil fors meer huurwoningen bouwen, zowel in de sociale als vrije sector. Gemeenten krijgen de opdracht om concrete doelstellingen op te nemen voor het aantal vrije sector huurwoningen. Daarnaast komen er 100.000 extra sociale huurwoningen om de wachtlijsten terug te dringen.
    • Leegstaande kantoren en winkels worden omgebouwd tot woningen voor studenten en alleenstaanden, en flexwoningen worden ingezet voor spoedzoekers.
    • Om huren betaalbaar te houden, stelt D66 een maximale huurstijging van 1% boven de inflatie voor. Verhuurders mogen daarnaast niet meer dan drie keer de maandhuur als inkomensgrens hanteren.
    • De opkoopbescherming blijft van kracht, zodat beleggers niet langer woningen onttrekken aan de reguliere huurmarkt in populaire gebieden.
    • Gemeenten beschikken al over de bevoegdheid om verhuurvergunningen in te trekken bij misstanden. D66 wil dat deze bestaande bevoegdheden actiever en consequenter worden ingezet, bijvoorbeeld bij slecht onderhoud of intimidatie door verhuurders.
    • D66 wil het eenvoudiger maken om kamers te verhuren, via een crisisclausule die voorkomt dat dit negatieve gevolgen heeft voor uitkering, belasting of hypotheek.

    ChristenUnie

    Uit het concept verkiezingsprogramma van de ChristenUnie volgt dat deze partij een rechtvaardige woningmarkt wil waarin huurders beschermd worden, wonen betaalbaar blijft en dakloosheid wordt uitgebannen.

    • De ChristenUnie wil jaarlijks 100.000 woningen bouwen, waarvan ten minste tweederde betaalbaar is, inclusief 30% sociale huur. Hiervoor wordt 20 miljard euro extra vrijgemaakt.
    • Hospitaverhuur en samenwonen worden gestimuleerd, onder meer door het versoepelen van regels en het afschaffen van de kostendelersnorm in de Participatiewet.
    • Vaste huurcontracten blijven de norm.
    • Huurprijzen worden gematigd: ze worden niet langer gekoppeld aan loonstijgingen, maar aan gemiddelde prijsontwikkeling over meerdere jaren.
    • Gemeenten worden gestimuleerd om huurteams op te zetten, waar huurders terecht kunnen bij vermoedens van te hoge huur.
    • Particuliere verhuurders worden tegemoetgekomen door verlaging van de belastingdruk op verhuurd vastgoed in box 3.
    • De partij voert het Nationaal Actieplan Dakloosheid uit, met als doel dat in 2030 niemand meer op straat hoeft te slapen. Huisuitzettingen bij betalingsachterstanden worden zoveel mogelijk voorkomen.

    SP

    De SP presenteert haar programma onder het motto “Supersociaal!”, met een sterke focus op het recht op betaalbaar wonen en het aanpakken van de wooncrisis.

    • De SP wil dat de huren omlaag gaan, ook voor woningen in de vrije sector, zodat wonen weer betaalbaar wordt voor iedereen.
    • Er komt een wettelijk vastgestelde maximale huurprijs voor alle woningen, zodat huurders niet langer afhankelijk zijn van de grillen van de markt.
    • Woningcorporaties mogen geen sociale huurwoningen meer verkopen, en bij nieuwbouwprojecten worden eisen gesteld voor het realiseren van betaalbare huurwoningen.
    • De overdrachtsbelasting wordt verhoogd vanaf het tweede huis, om belegging in woningen te ontmoedigen en speculatie tegen te gaan.
    • De SP wil één miljoen betaalbare huurwoningen realiseren via nieuwbouw, renovatie en het benutten van leegstand, als onderdeel van het woonplan ‘Wonen zonder Winst’.
    • Het verbod op kraken wordt opgeheven, zodat leegstaande panden weer benut kunnen worden in tijden van woningnood.
    • Er komt een isolatieoffensief en collectieve plaatsing van zonnepanelen op huurwoningen, zodat woonlasten dalen en woningen duurzamer worden.

    JA21

    Uit het concept verkiezingsprogramma van JA21 blijkt dat deze partij de wooncrisis ziet als het gevolg van overregulering, migratiedruk en een falend ruimtelijk beleid. De partij pleit voor een fundamentele herziening van het woonbeleid, waarin bouwen centraal staat en de vrije huursector weer kan functioneren.

    • JA21 wil fors meer woningen bouwen, met nadruk op betaalbare huur en koop voor middeninkomens. De partij pleit voor een bouwtempo van 100.000 woningen per jaar.
    • De vrije huursector moet worden versterkt. JA21 is kritisch op huurregulering en wil dat marktwerking weer ruimte krijgt om het aanbod te vergroten.
    • De verhuurdersheffing blijft afgeschaft, en woningcorporaties krijgen ruimte om te investeren in nieuwbouw, ook voor middeninkomens.
    • Gemeenten krijgen meer zeggenschap over woningtoewijzing, zodat lokale binding en vitale beroepen voorrang kunnen krijgen.
    • Leegstand wordt aangepakt, onder meer door het ombouwen van kantoren en het splitsen van grote woningen.
    • De partij pleit voor een strikter migratiebeleid, omdat volgens JA21 de woningnood mede wordt veroorzaakt door een te hoge instroom van migranten.

    Volt

    Het conceptverkiezingsprogramma van Volt is alleen toegankelijk voor Volt-leden via hun Volt-account.

    Conclusie

    De verschillen tussen de partijen zijn groot: waar de één inzet op marktwerking en deregulering, kiest de ander voor publieke regie en huurbescherming. Wat opvalt, is dat vrijwel alle partijen het woningtekort erkennen en bouwen als prioriteit zien. Op 29 oktober mogen we daar als kiezer iets van vinden.

    Zodra de definitieve verkiezingsprogramma’s zijn gepubliceerd, volgt een update met eventuele wijzigingen of aanscherpingen in de standpunten.

    Behoefte aan meer informatie over dit onderwerp? Neem dan contact op met Claudia van Meurs-Janssens.

  • Wat betekenen de belangen van minderjarige kinderen bij de ontruiming van de huurwoning voor de verhuurder?

    Wat betekenen de belangen van minderjarige kinderen bij de ontruiming van de huurwoning voor de verhuurder?

    Wat betekenen de belangen van minderjarige kinderen bij de ontruiming van de huurwoning voor de verhuurder?

    14 juli 2025, door Claudia van Meurs-Janssens

    De belangen van minderjarige kinderen worden steeds vaker meegewogen in ontbindings- en ontruimingszaken, zelfs als de ouders van deze kinderen ernstige overlast veroorzaken of strafbare feiten plegen. De kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland heeft daarover vragen gesteld aan de Hoge Raad.
    Aanleiding was een zaak waarin verhuurder Ymere ontruiming van een huurwoning vorderde. De twee huurders veroorzaakten ernstige geluidsoverlast. Buren klaagden over huilende kinderen, klusgeluiden, geschreeuw en gestamp, een aanhoudend blaffende hond en luide muziek. Maar daar bleef het niet bij. Bij een politieonderzoek werden in de huurwoning naast MDMA en 93 XTC-pillen ook munitie en een laptop met software om met een 3D-printer een onderdeel voor een automatisch vuurwapen te maken. In eerste instantie besloot de burgemeester de huurwoning niet te sluiten, hierbij waren de belangen van de twee minderjarige kinderen doorslaggevend. Amper een maand later werden weer scherpe munitie en drugs in de huurwoning aangetroffen. Ymere wilde van de huurders af en vorderde in kort geding ontruiming.

    Wat adviseert de PG over de belangen van kinderen bij ontruiming?

    De PG adviseert dat rechters bij ontruiming van een woning waarin minderjarige kinderen wonen, het belang van het kind actief en zichtbaar moeten meewegen als een eerste overweging – ook in verstekzaken. Dat betekent dat de rechter moet nagaan of er kinderen betrokken zijn, wat de gevolgen van ontruiming zijn, en of er adequate opvang beschikbaar is. Verwijtbaar gedrag van ouders mag worden meegewogen, maar doet niets af aan de verplichting om het belang van het kind te beoordelen. De rechter mag ontruiming afhankelijk stellen van opvang, maar hoeft die niet zelf te organiseren. Wel mag hij, met instemming van partijen, informatie inwinnen bij gemeenten of hulpverlening. Zelfstandig instanties benaderen hoeft niet. Of de civiele zaak moet worden aangehouden bij een lopend bestuursrechtelijk traject hangt af van de omstandigheden. Tot slot mag de rechter ontruiming toestaan onder de voorwaarde dat opvang geregeld is, en daarbij ook bepalen wie dat moet doen – mits passend binnen de belangenafweging.

    Wat betekent dit voor verhuurders?

    Voor verhuurders betekent het advies van de PG dat zij bij ontruimingsprocedures waarin minderjarige kinderen betrokken (kunnen) zijn, niet langer kunnen volstaan met een standaardaanpak. De rechter zal kritischer kijken naar de gevolgen van ontruiming voor het gezin, en van verhuurders mag worden verwacht dat zij daar in hun proceshouding op anticiperen. Dat begint bij het vermelden van de gezinssituatie in de dagvaarding, maar strekt zich ook uit tot het onderbouwen van het eigen belang bij ontruiming, het in kaart brengen van eventuele opvangmogelijkheden en – waar mogelijk – afstemming met hulpverlening of gemeente. Zeker woningcorporaties zullen hun maatschappelijke verantwoordelijkheid explicieter moeten invullen. Het belang van het kind hoeft niet de doorslag te geven, maar moet wel aantoonbaar zijn meegewogen.

    Let op: dit is voorlopig nog slechts een advies. De Hoge Raad moet nog beslissen of hij dit advies volgt. Toch is het verstandig om als verhuurder nu al zorgvuldig te werk te gaan. Rechters staan in toenemende mate stil bij de belangen van minderjarige kinderen in ontruimingszaken. Zo wees een kantonrechter een ontbinding en ontruiming ondanks een huurachterstand van zeven maanden af, omdat daardoor een acute noodtoestand zou ontstaan voor een 10-jarig kind met autisme. Een andere kantonrechter wees een ontruimingsvordering toe, maar hield bij het bepalen van de ontruimingstermijn rekening met de belangen van de kinderen.
    De rechter kijkt dus al kritischer naar de gevolgen van ontruiming voor kinderen – en dat zal, als de Hoge Raad het PG-advies volgt, alleen maar verder toenemen.

    Behoefte aan meer informatie over dit onderwerp? Neem dan contact op met Claudia van Meurs-Janssens.

  • Het shortstaycontract: de uitkomst voor tijdelijke verhuur van woonruimte of een juridisch mijnenveld?

    Het shortstaycontract: de uitkomst voor tijdelijke verhuur van woonruimte of een juridisch mijnenveld?

    Het shortstaycontract: de uitkomst voor tijdelijke verhuur van woonruimte of een juridisch mijnenveld?

    22 april 2025, door Claudia van Meurs-Janssens

    Sinds de inwerkingtreding van de Wet betaalbare huur en de Wet vaste huurcontracten op 1 juli 2024, is de huurovereenkomst van naar zijn aard korte duur weer volop in de aandacht. Dit zogenaamde “shortstaycontract” wordt vaak besproken in de media en de politiek. Artikelen in het AD en het FD hebben geleid tot Kamervragen en aandacht van programma’s zoals Radar. Dit type huurovereenkomst wordt vaak gepresenteerd als een makkelijke truc voor verhuurders om toch de huurbescherming te omzeilen, maar de werkelijkheid is anders. Overigens is shortstay meer een bestuursrechtelijke definitie. De bestuursrechtelijke aspecten (bestemmingsplan, vergunningen, etc.) komen in deze blog niet aan de orde.

    Wat is een huurovereenkomst van naar zijn aard korte duur?

    De regels van huur(prijs)bescherming zijn niet van toepassing op huur die naar zijn aard van korte duur is. Dit type huurovereenkomst is van oudsher bedoeld voor situaties zoals vakantiewoningen, hotel- en pensionverblijven, en wisselwoningen. Het gebruik van deze huurovereenkomst is echter niet zonder risico voor verhuurders.

    Rechtspraak en criteria

    De rechter beoordeelt per geval of er sprake is van een huurovereenkomst van naar zijn aard korte duur. Hierbij wordt gekeken naar de aard van het gebruik, de aard van het gehuurde, en wat partijen omtrent de duur van het gebruik voor ogen heeft gestaan. Hoewel de duur van de huurovereenkomst niet doorslaggevend is, kan deze wel een aanwijzing geven. Hoe langer de huurovereenkomst duurt, hoe kleiner de kans dat deze kwalificeert als van naar zijn aard korte duur. Als de rechter oordeelt dat de huurovereenkomst niet van zijn aard korte duur is, is er sprake van een reguliere huurovereenkomst met huurbescherming en huurprijsbescherming.

    Invloed van de Wet doorstroming huurmarkt en de Wet vaste huurcontracten

    Na de invoering van tijdelijke huurovereenkomsten, boette de huurovereenkomst van naar zijn aard korte duur aan populariteit in. De tijdelijke huurovereenkomst bood echter niet altijd een oplossing, vooral niet voor arbeidsmigranten, waarvoor flexibiliteit vaak essentieel is.

    Sinds de invoering van de Wet vaste huurcontracten per 1 juli 2024 is de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd weer de norm. Tijdelijke verhuur van woonruimte blijft voor maximaal twee jaar mogelijk aan specifieke groepen, waaronder studenten uit andere gemeenten of het buitenland. De Wet vaste huurcontracten heeft niets veranderd aan de mogelijkheden die al bestonden voor tijdelijke verhuur, waaronder de huurovereenkomst van naar zijn aard korte duur.

    Praktische tips voor verhuurders

    De huurovereenkomst van naar zijn aard korte duur blijft interessant voor de huisvesting van arbeidsmigranten, maar in bepaalde gevallen ook voor andere doelgroepen zoals bijvoorbeeld internationale studenten. Het is wel van belang dat de feitelijke en contractuele omstandigheden daadwerkelijk passen bij een huurovereenkomst van naar zijn aard korte duur. Rechters zullen snel door omzeilingsconstructies heen prikken.

    Tips voor verhuurders:

    1. Zorg ervoor dat het huurcontract expliciet vermeldt dat het gaat om een huurovereenkomst van naar zijn aard korte duur. Leg de redenen en consequenties voor de huurder van deze kwalificatie duidelijk vast.
    2. Zorg ervoor dat het gebruik van de woonruimte duidelijk tijdelijk is, zoals voor vakantieverhuur, tijdelijke werkopdrachten, of studieperiodes. Vermeld dit expliciet in het contract.
    3. Bied extra diensten aan zoals wekelijkse schoonmaak, (klein) onderhoud, en gemeubileerde woonruimte inclusief inventaris.
    4. Zorg ervoor dat de feitelijke situatie overeenkomt met de contractuele afspraken.
    5. Hoewel de duur niet doorslaggevend is, kan een kortere duur helpen om de tijdelijke aard te benadrukken. Vermijd langdurige huurovereenkomsten die de tijdelijke aard kunnen ondermijnen.
    6. Informeer huurders duidelijk over het ontbreken van huurbescherming en de tijdelijke aard van de huurovereenkomst. Zorg ervoor dat huurders zich bewust zijn van de implicaties en het feit dat dit een bijzondere uitzondering is op de huurbescherming.
    7. Werk samen met onderwijsinstellingen of bedrijven om tijdelijke huisvesting voor studenten of werknemers te faciliteren.
    8. Win altijd juridisch advies in over het gebruik van de huurovereenkomst van naar zijn aard korte duur. Niet alleen vanwege civielrechtelijke gevolgen, maar ook in verband met mogelijke vergunningsplichten.

    Conclusie

    De huurovereenkomst van naar zijn aard korte duur biedt verhuurders flexibiliteit, maar is niet zonder risico. Door de nieuwe wetgeving zullen verhuurders op zoek gaan naar alternatieven en soms de huurovereenkomst van naar zijn aard korte duur onterecht gebruiken. Het is aannemelijk dat rechters deze huurovereenkomsten kritisch(er) zullen toetsen. Verhuurders moeten zich bewust zijn van de risico’s, maar er blijven situaties bestaan waarin deze huurovereenkomst passend en geschikt is. Voor die specifieke situaties is deze huurovereenkomst een waardevol instrument.

    Behoefte aan meer informatie over dit onderwerp? Neem dan contact op met Claudia van Meurs-Janssens.

  • Stoomcursus huurverhoging voor verhuurders van woonruimte

    Stoomcursus huurverhoging voor verhuurders van woonruimte

    Stoomcursus huurverhoging voor verhuurders van woonruimte

    10 april 2025, door Claudia van Meurs-Janssens

    Onder verhuurders van woonruimte leven sinds de invoering van de Wet betaalbare huur veel vragen over de jaarlijkse verhoging van de huur. Daarom vat ik hieronder samen hoe de huurverhoging in 2025 in de verschillende segmenten precies werkt en hoe het zit met lopende huurovereenkomsten van woningen die tot 1 juli 2024 in de vrije sector vielen en waarvan de huurprijs nu in het middensegment uitkomt.

    Huurverhoging in het laagsegment (sociale huur)

    Hoe?

    In het laagsegment (het oude sociale stelsel) mag de huurprijs van woonruimte worden verhoogd na een voorafgaand voorstel van de verhuurder. Dat voorstel moet:

    • schriftelijk worden gedaan;
    • tenminste twee maanden voordat de huurverhoging ingaat worden gedaan, en;
    • de volgende gegevens bevatten:
      • de huidige huurprijs;
      • het percentage of bedrag van de wijziging van de huurprijs;
      • de verhoogde huurprijs;
      • de ingangsdatum van de huurprijsverhoging;
      • de wijze waarop en de termijn waarbinnen de huurder bezwaar kan maken tegen de huurprijsverhoging.

    De huurprijs mag in het laagsegment per 1 juli 2025 worden verhoogd. Dat betekent dat het voorstel tot huurverhoging vóór 1 mei 2025 dient te zijn gedaan.

    Bezwaar huurder?

    Als de huurder het niet eens is met de huurverhoging, kan de huurder voor de ingangsdatum schriftelijk bezwaar maken bij de verhuurder. De verhuurder dient vervolgens binnen zes weken na de voorgestelde ingangsdatum een verzoek bij de Huurcommissie in om de huurverhoging te laten toetsen.

    Hoeveel?

    De huurverhoging is in 2025 in het laagsegment maximaal 5%, tenzij de huurder een middeninkomen of een hoog inkomen heeft. Verhuurders kunnen bij het Portaal inkomensafhankelijke huurverhoging van de Belastingdienst nagaan of dit het geval is. Bij huurders met een middeninkomen kan dit leiden tot een huurverhoging van maximaal € 50,-. Bij huurders met een hoog inkomen kan dit leiden tot een huurverhoging van maximaal € 100,-.

    De huurprijs mag niet hoger worden dan de maximale huurprijs op grond van het WWS.

    Middensegment (middenhuur)

    Hoe?

    De huurprijsverhoging in het middensegment geldt alleen voor huurovereenkomsten die vanaf 1 juli 2024 zijn gesloten.

    In het middensegment wordt de huur van huurovereenkomsten verhoogd op grond van het beding in de huurovereenkomst. Er hoeft geen schriftelijk voorstel te worden gedaan en de huurverhoging hoeft ook niet te worden aangekondigd, al kan dat laatste wel de voorkeur verdienen. In het beding in de huurovereenkomst staat per welke maand de huur jaarlijks mag worden verhoogd.

    Hoeveel?

    De huurverhoging in het middensegment bedraagt in 2025 maximaal 7,7%. Dat is een aftopping van de huurverhoging dus als de huur op grond van de huurovereenkomst met een lager percentage stijgt, dan geldt dat lagere percentage.

    De huurprijs mag niet hoger worden dan de maximale huurprijs op grond van het WWS.

    Bezwaar huurder?

    De huurder kan binnen vier maanden na de ingangsdatum van de huurverhoging een procedure starten bij de Huurcommissie

    Vrije sector (hoogsegment)

    Hoe?

    In de vrije sector wordt de huur verhoogd op grond van het beding in de huurovereenkomst. Er hoeft geen schriftelijk voorstel te worden gedaan en de huurverhoging hoeft ook niet te worden aangekondigd, al kan dat laatste wel de voorkeur verdienen. In het beding in de huurovereenkomst staat per welke maand de huur jaarlijks mag worden verhoogd.

    Hoeveel?

    De huurverhoging in de vrije sector bedraagt in 2025 maximaal 4,1%. Dat is een aftopping van de huurverhoging dus als de huur op grond van de huurovereenkomst met een lager percentage stijgt dan geldt dat lagere percentage.

    Bezwaar huurder?

    De huurder kan binnen vier maanden na de ingangsdatum van de huurverhoging een procedure starten bij de Huurcommissie

    Lopende huurovereenkomsten in de vrije sector

    Voor lopende huurovereenkomsten die voor de invoering van de Wet betaalbare huur per 1 juli 2024 in de vrije sector vielen en volgens de nieuwe regels nu als middenhuur zouden gelden, geldt de maximale huurverhoging van de vrije sector van 4,1%. Pas bij het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst, gelden de regels voor de middenhuur.

    Spoedwet

    Op 18 februari 2025 is een spoedwetsvoorstel ingediend om de huren van alle segmenten per 1 juli 2025 voor een jaar te bevriezen.  De Raad van State heeft inmiddels negatief geadviseerd. Het wetsvoorstel moet nog door de Tweede Kamer worden behandeld. De behandeling van het wetsvoorstel kan via deze link worden gevolgd: Spoedwetsvoorstel. Het is niet de verwachting dat de spoedwet wordt aangenomen.

    Verhuurders en huurders die behoefte hebben aan meer informatie kunnen contact opnemen met Claudia van Meurs-Janssens.

  • Toch ruimte voor verhuurders en huurder bij einde tijdelijke huurovereenkomst

    Toch ruimte voor verhuurders en huurder bij einde tijdelijke huurovereenkomst

    Toch ruimte voor verhuurders en huurders bij einde tijdelijke huurovereenkomst

    4 februari 2025, door Claudia van Meurs-Janssens

    Het leverde veel frustratie op: bij het eindigen van tijdelijke huurovereenkomsten, liepen verhuurders die huurders wilden helpen door extra tijd te geven om een andere woning te zoeken tegen een muur van regelgeving op. Juist de wettelijke bepalingen die waren bedoeld om de huurders beschermden, zorgden ervoor dat verhuurders die huurders niet tegemoet konden komen zonder zelf een aanzienlijk risico te lopen. Iedere verlenging van een tijdelijke huurovereenkomst levert immers een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd mét huurbescherming op. Dus ook verhuurders die hun huurders best een maand of twee extra wilden geven om te vertrekken, moesten nee verkopen met als resultaat dat huurders onnodig op straat kwamen te staan. Er waren wel wat geluiden dat niet iedere opschorting van de ontruimingsverplichting een voortzetting van de huurovereenkomst zou opleveren, maar het was een discussie die de meeste verhuurders (terecht) niet wilden aangaan.

    Onlangs heeft de Hoge Raad in een arrest geoordeeld dat niet iedere overeenkomst die de elementen van huur bevat (gebruik van een woning én betaling in ruil daarvoor) ook daadwerkelijk een huurovereenkomst ís. De zaak in kwestie draaide om twee meerderjarige kinderen die na het overlijden van hun moeder op grond van een vaststellingsovereenkomst in totaal net iets langer dan een jaar gebruik mochten blijven maken van de huurwoning tegen betaling van een gebruiksvergoeding. Toen de termijn verstreek, weigerden ze te vertrekken en stelden dat ze een huurovereenkomst hadden. Volgens de Hoge Raad was geen sprake van een huurovereenkomst.

    ”In een situatie als de onderhavige, waarin de rechthebbende op een woning de bewonder daarvan op korte termijn tot ontruiming zou kunnen dwingen, is het vanwege het aan ontruiming voor de bewonder verbonden nadeel wenselijk dat die rechthebbende niet ervan afziet de bewoner enig respijt te geven op de grond dat hij ander zou moeten kiezen tussen hetzij het laten voortzetten van het gebruik zonder enige (of een geringe) vergoeding, hetzij het sluiten van een huurovereenkomst, met de daaraan voor de bewoner verbonden bescherming. In zodanig geval verzet het dwingendrechtelijke beschermingsregime voor huurovereenkomsten zich niet ertegen dat een afspraak dat de bewoner nog enige tijd tegen vergoeding in de woning zal mogen blijven teneinde naar andere woonruimte om te zien, en de eigenaar dus zolang van ontruiming afziet, niet als huurovereenkomst wordt aangemerkt.”

    Met andere woorden: de meerderjarige kinderen kwam geen beroep op huurbescherming toe.

    De overwegingen van de Hoge Raad zijn ook toepasbaar bij het geven van enig respijt bij het eindigen van een tijdelijke huurovereenkomst, maar verhuurders doen er wel goed aan hier voorzichtig mee om te gaan, juridisch advies in te winnen en de afspraken goed vast te leggen in een vaststellingsovereenkomst. Kantonrechters zullen de afspraken kritisch toetsen om ervoor te zorgen dat er geen sprake is van een verkapte verlenging, of omzeiling van de huurbescherming van de huurder.

    Verhuurders en huurders die behoefte hebben aan meer informatie kunnen contact opnemen met Claudia van Meurs-Janssens.

  • Happy new huurrechtjaar!

    Happy new huurrechtjaar!

    Happy new huurrechtjaar!

    30 december 2024, door Claudia van Meurs-Janssens

    De afgelopen jaren kenmerkten zich door grote veranderingen in het huurrecht van woonruimte. Na de inwerkingtreding van de Wet goed verhuurderschap in 2023 en vervolgens in 2024 de Wet vaste huurcontracten én de Wet betaalbare huur, lijkt 2025 een iets minder bewogen jaar te worden. Het zal vooral het jaar worden waarin het stof neerdaalt, verhuurders  zich herpakken en de effecten van alle wetswijzigingen (nog) duidelijk(er) merkbaar worden. Toch zijn er ook in 2025 een paar veranderingen op komst. In deze blog een overzicht voor verhuurders van woonruimte.

    De naweeën van de Wet betaalbare huur

    De Wet betaalbare huur is per 1 juli 2024 op een paar onderdelen na grotendeels in werking getreden. Zo hebben gemeenten per 1 januari 2025 de bevoegdheid om de naleving van de Wet betaalbare huur te controleren en daadwerkelijk te handhaven als blijkt dat een verhuurder een te hoge huur vraagt of de huur verhoogt met een hoger percentage dan toegestaan. Gemeenten hebben een half jaar extra de tijd gekregen om zich voor te bereiden op de uitvoering van de wet en daarom konden het eerste half jaar na inwerkingtreding van de Wet betaalbare huur nog geen boetes worden opgelegd, maar daar komt nu verandering in.

    Verder geldt per 1 januari 2025 de plicht om bij nieuwe huurovereenkomsten een puntentelling aan de huurovereenkomst te hechten. Dat hoeft overigens niet perse een puntentelling volgens de huurprijscheck van de Huurcommissie te zijn. Er zijn andere (en overigens ook betere) puntentellingen beschikbaar dus verhuurders moeten zich vooral niet blind staren op de puntentelling van de Huurcommissie. Overigens staat in het ROZ model nog geen bepalingen over de puntentelling. Verhuurders doen er in ieder geval goed aan om de puntentelling op te nemen onder de bijlagen.

    Verhuurders van woningen die qua puntentelling sociaal waren en voor een hogere (vrije sector) huurprijs werden verhuurd, kunnen vanaf 1 juli 2025 worden geconfronteerd met handhaving door de gemeente en huurprijsverlagingsvoorstellen van huurders. Op dat moment is namelijk de overgangstermijn verstreken en moet de verhuurder de maximale huurprijs aanhouden. De regels zijn dwingend dus de verhuurder die de huurprijs niet uit eigen beweging aanpast, loopt het risico dat de gemeente ingrijpt. Dat kan een waarschuwing zijn, maar er kan ook direct een boete worden opgelegd.

    Ingrijpen huurstijgingen?

    Recent zijn de maximale huurstijgingen in het laagsegment (5%), het middensegment (7,7%) en het hoogsegment (4,1%) bekend gemaakt. Dat heeft direct tot veel consternatie in de politiek geleid. De PVV en NCS hebben Kamervragen gesteld over de huurstijging in het middensegment en vragen de minister om in te grijpen. Het schijnt dat hierover gedebatteerd gaat worden.

    Servicekosten

    Wijziging btw beleid

    Vanaf 2025 gelden nieuwe btw beleidsregels bij de verhuur van woonruimte. Vanaf 2025 moeten verhuurders bepalen of de servicekosten een zelfstandige, btw-belaste prestatie vormen of bijkomende kosten zijn die het btw-regime van de verhuurdienst volgen. Servicekosten worden als zelfstandige prestatie beschouwd als i) huurders invloed hebben op het gebruik van de diensten, ii) er individuele meters zijn geïnstalleerd en iii) afrekeningen gebaseerd zijn op werkelijk verbruik. Dit houdt in dat de kosten voor nutsvoorzieningen bij woningverhuur waarschijnlijk onder de btw-heffing zullen vallen. Verhuurders zullen dus btw doorberekenen aan huurders over de vergoeding voor de nutsvoorzieningen. Tegelijkertijd krijgen verhuurders de mogelijkheid om de btw die zij zelf betalen voor deze nutsvoorzieningen, af te trekken. Wat betreft de overige servicekosten bij woningverhuur, is de verwachting dat deze dezelfde btw-behandeling zullen krijgen als de huurovereenkomst zelf. Dit suggereert dat als de woningverhuur btw-vrijgesteld is, de meeste servicekosten waarschijnlijk ook vrijgesteld zullen blijven van btw. Deze aanpassing in de regelgeving zal leiden tot veranderingen in de administratieve processen van verhuurders en kan mogelijk kleine wijzigingen in de kostenstructuur voor huurders tot gevolg hebben. Verhuurders doen er goed aan advies in te winnen bij een fiscalist en eventuele wijzigingen van de huurovereenkomst met behulp van een jurist goed vast te leggen.

    Wijzigingen Besluit servicekosten

    De voorgenomen wijziging van het Besluit servicekosten gaat in 2025 verder het wetgevingsproces door en treedt naar verwachting in 2025 in werking.

    Wat verandert het wetsvoorstel ook al weer aan de servicekostenregels?

    • Limitatieve lijst voor verduidelijking van toegestane servicekosten.
    • Mogelijkheid van vaste formules/berekeningen voor bepaalde servicekosten.
    • Servicekosten moeten daadwerkelijke, proportionele kosten zijn zonder winst.
    • Eenvoudiger om het voorschot te laten toetsen.
    • Makkelijker voor huurders om gezamenlijk een uitspraak bij de Huurcommissie aan te vragen.

    Het wetsvoorstel is in november aan de Tweede Kamer aangebonden dus zal binnenkort worden behandeld.

    Internetconsultatie hospitahuur

    Er wordt gewerkt aan een wijziging van de wet om hospitahuur aantrekkelijker te maken en zo de bestaande woonvoorraad beter te gebruiken om bij te dragen aan de oplossing van het woontekort. Het wetsvoorstel zal binnenkort ter internetconsultatie gaan dus dan kan iedereen er op reageren voordat het voor advies aan de Raad van State wordt aangeboden. De wet zal het voor hospita’s mogelijk maken om het huurcontract eenvoudig te beëindigen bij verkoop of overdracht van de woning. Dit moet de bezwaren van hypotheekverstrekkers wegnemen, die vaak terughoudend zijn met het geven van toestemming voor hospitaverhuur. Verder wordt onderzocht hoe te voorkomen dat hospitaverhuurders uit voorzorg een huurcontract al binnen de proefperiode van negen maanden opzeggen om te voorkomen dat het automatisch een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt.

    Huisvesting arbeidsmigranten

    PKS (Prijs Kwaliteit Systeem)

    Het Prijs-kwaliteitssysteem (PKS) voor huisvesting van arbeidsmigranten is een nieuw initiatief dat vanaf 1 januari 2025 van kracht wordt in Nederland.

    Het PKS is ontworpen om:

    • De huisvestingsomstandigheden voor arbeidsmigranten te verbeteren
    • Meer transparantie te bieden in huisvestingskosten
    • De kwaliteit van aangeboden huisvesting te verhogen

    Het systeem maakt huisvestingskosten concreet en meetbaar op basis van kwaliteit en locatie van de woning. Het PKS is onderdeel van de nieuwe CAO voor Uitzendkrachten 2024 en deze CAO is niet algemeen verbindend verklaard. De afspraak geldt daarom momenteel alleen voor ABU- en NBBU-leden.

    Het PKS is een apart systeem specifiek voor arbeidsmigranten en staat los van het reguliere Woningwaarderingsstelsel (WWS) of het WWS voor onzelfstandige woonruimte (WWSO). In tegenstelling tot het WWS(O), dat voor alle huurwoningen geldt, is het PKS specifiek gericht op de huisvesting van arbeidsmigranten via uitzendorganisaties.

    Doelgroepencontract

    De wetgever is al geruime tijd bezig met een concept wetsvoorstel waardoor de huisvesting van arbeidsmigranten alleen op basis van een doelgroepencontract plaats mag  vinden. Daarop zijn de regels van huur- en huurprijsbescherming van toepassing. Dat is dus een grote wijziging ten opzichte van de huurovereenkomst van naar zijn aard korte duur die nu veel wordt gebruikt bij de huisvesting van arbeidsmigranten. Het is de vraag hoe het concept wetsvoorstel eruit gaat zien. Er is steeds aangegeven dat het wetsvoorstel in het najaar van 2024 ter internetconsultatie zou gaan, maar op het moment van het schrijven van deze blog (24 december 2024) heb ik het nog niet voorbij zien komen.

    Slot

    Er gebeurt dus nog steeds veel in huurrechtland, al zijn de ontwikkelingen wel iets overzichtelijker.

    Verhuurders van woonruimte die behoefte hebben aan meer informatie kunnen contact opnemen met Claudia van Meurs-Janssens.

  • Vroeg kerstcadeau voor verhuurders van woonruimte

    Vroeg kerstcadeau voor verhuurders van woonruimte

    Vroeg kerstcadeau voor verhuurders van woonruimte: Huurprijsverhogingsbeding met opslagpercentage volgens Hoge Raad niet oneerlijk.

    29 november 2024, door Claudia van Meurs-Janssens

    Om maar met de deur in huis te vallen: de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het opslagpercentage bovenop de CPI indexering niet is aan te merken als oneerlijk beding [ECLI:NL:HR:2024:1780, Hoge Raad, 24/00169]. Dit heeft voor verhuurders van woonruimte tot gevolg dat ze niet hoeven te vrezen voor massaclaims van huurders en ook niet het risico lopen tot het einde van een huurovereenkomst aan de aanvangshuurprijs vast te zitten.

    Vragen kantonrechter over huurprijsverhogingsbedingen met opslagpercentage

    Wat ging hier ook alweer aan vooraf? In januari van dit jaar heeft de kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam préjudiciële vragen gesteld over huurprijswijzigingsbedingen in huurovereenkomsten voor woonruimte op grond waarvan de huurprijs bovenop de reguliere verhoging op grond van de CPI index met een vast opslagpercentage wordt verhoogd. Die opslagpercentages variëren vaak van 1% tot 5%. Het was lange tijd heel gebruikelijk een dergelijke opslag in de huurovereenkomst op te nemen. Zelfs het ROZ model voorziet daarin en die bepaling staat – in afwachting van het oordeel van de Hoge Raad – ook nog in de onlangs gepubliceerde nieuwe modelhuurovereenkomst 2024.

    De laatste anderhalf jaar is veel rechtspraak verschenen waarin kantonrechters ambtshalve overgingen tot het toetsen van (onder andere) indexeringsbedingen aan de Richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Daarbij werd vaak geoordeeld dat het extra opslagpercentage bovenop de reguliere CPI indexering oneerlijk was. De gevolgen van dat oordeel kunnen voor verhuurders van woonruimte zeer vergaand zijn. Een strikte uitleg van de richtlijn brengt mee dat een oneerlijk huurprijswijzigingsbeding geacht wordt nooit te hebben bestaan. Dan houden huurprijsverhogingen uit het verleden geen stand en kan de huurprijs in de toekomst ook niet meer worden verhoogd. Met andere woorden: de verhuurder is gebonden aan de aanvangshuurprijs, zonder zicht op verhoging. Zeker nu de tijdelijke huurovereenkomst is uitgebannen en huurovereenkomsten dus voor onbepaalde tijd worden gesloten, is een dergelijk gevolg zeer ingrijpend. Dit kon de verhuurder bij aanvang van de huurovereenkomst bovendien niet weten.

    Advies PG en oordeel Hoge Raad: opslagpercentage als zodanig niet oneerlijk

    Het voorgaande was aanleiding voor de kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam om vragen aan de Hoge Raad te stellen. De PG heeft in het advies aan de Hoge Raad aangegeven dat het indexatiebeding in het algemeen niet oneerlijk is. Volgens de PG dienen het reguliere indexeringsbeding en het opslagbeding te worden gesplitst. Het CPI indexeringsbeding staat niet ter discussie en een opslagbeding met een opslag van maximaal 3% is volgens de PG in het algemeen niet aan te merken als een oneerlijk beding.

    De Hoge Raad oordeelt eveneens dat een opslagbeding op zichzelf niet oneerlijk is en overweegt onder andere:

    Een indexatiebeding en een opslagbeding hebben onderling verschillende doelen. Een indexatiebeding heeft tot doel geldontwaarding te compenseren. Een opslagbeding heeft in de regel tot doel om ten laste van de verhuurder komende kostenstijgingen die uitgaan boven de inflatie te compenseren en om de huurprijs in de pas te laten lopen met de waardeontwikkeling van de woning.

    En:

    Een huurovereenkomst voor woonruimte is een duurovereenkomst die doorgaans voor langere tijd wordt gesloten. De verhuurder kan die huurovereenkomst slechts op beperkte gronden beëindigen. Gelet op een en ander heeft de verhuurder er een gerechtvaardigd belang bij om de aanvangshuurprijs jaarlijks te kunnen aanpassen, niet alleen in verband met geldontwaarding, maar ook om de hiervoor in 3.1.4 genoemde doelen na te streven. De huurder heeft er een gerechtvaardigd belang bij dat de huurprijs betaalbaar blijft.

    De financiële gevolgen van een opslagbeding met een jaarlijks maximumpercentage van 3% zijn voor de huurder voorzienbaar, omdat de frequentie van de huurprijswijziging, de berekening van de huurprijsverhoging en de maximale verhoging van de huurprijs vaststaan. Hoewel voor de huurder niet voorzienbaar is in hoeverre en op welke gronden de verhuurder toepassing zal geven aan het opslagbeding, en een door de verhuurder aan het beding gegeven toepassing voor de huurder in de praktijk moeilijk controleerbaar is, is het voor de huurder bij de beoordeling van de mogelijke gevolgen van het beding met name van belang dat hij kan voorzien met welk percentage de huurprijs maximaal mag worden verhoogd en hoe vaak.

    De Hoge Raad neemt ook mee dat de Nederlandse wetgeving voor de geliberaliseerde huursector is gebaseerd op het uitgangspunt dat de verhuurder er een gerechtvaardigd belang bij heeft de huurprijs jaarlijks te wijzigen. De Wet maximering huurprijsverhogingen en de Wet betaalbare huur regelen immers de jaarlijks toegestane maximale verhoging van de huurprijs, waarbij voor opslagen bovenop de indexering van de huurprijs een maximumpercentage is voorgeschreven.

    Dus samengevat is een opslagbeding als zodanig volgens de Hoge Raad niet aan te merken als oneerlijk en een opslagbeding met een opslag van maximaal 3% evenmin. Dit percentage kan in redelijkheid nodig zijn om de verhuurder in staat te stellen de doelen van het opslagbeding te bereiken, terwijl de financiële gevolgen ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst voor de huurder voorzienbaar zijn en de jaarlijkse huurstijging met maximaal dit percentage doorgaans binnen aanvaardbare grenzen blijft.

    Verhuurders van woonruimte die advies willen over de gevolgen van de beslissing van de Hoge Raad voor hun portefeuille kunnen contact opnemen met Claudia van Meurs-Janssens.

  • Laadpalensloop

    Laadpalensloop

    Artikel & presentatie Laadpalensloop 

    21 november 2024, door Dirk van den Berg

    Vorige maand verscheen er in De Telegraaf een artikel met de kop “Laadpalen langs snelwegen verdwijnen bij bosjes”. Dat bericht verbaasde mij en ik besloot op onderzoek uit te gaan.

    De strijd tussen Fastned en de oliemaatschappijen (met in hun kielzog de vereniging van private vergunninghouders) over de laadpalen bij tankstations zal niet onbekend voorkomen. Toen de Staat ruim vijftien jaar geleden de infrastructuur voor elektrisch rijden wilde (laten) uitrollen, gaven de oliemaatschappijen niet thuis. Dat heeft geleid tot de verloting van 245 vergunningen voor laadstations, zogenaamde “zelfstandige voorzieningen” op de verzorgingsplaatsen in 2012. Fastned sleepte bij deze verloting 201 vergunningen in de wacht. De business kwam langzaam op gang omdat er nog maar weinig elektrisch werd gereden. In 2020/2021 kwam er meer vraag naar elektriciteit langs de rijkswegen. De oliemaatschappijen werden toen wakker en plaatsten zelf laadpalen. Ze kregen daarvoor vergunningen als “aanvullende voorziening” op grond van de Wbr (Wet beheer rijkswaterstaatswerken).

    Fastned maakte standaard bezwaar tegen de vergunningen voor deze laadpalen, onder andere op grond van de verkeersveiligheid: elektrische rijders zouden zowel naar links als naar rechts worden verwezen voor de laadpalen en zouden daardoor gevaarlijke manoeuvres kunnen maken. Ik neem als voorbeeld een in maart 2021 aan Total verleende vergunning voor vier laadpalen op de verzorgingsplaats Vliedberg bij Goes. De minister van Infrastructuur en Waterstaat verklaarde de bezwaren in oktober 2021 ongegrond. Fastned ging in beroep bij de rechtbank Amsterdam. Dat beroep is in december 2023 (!) behandeld. De rechtbank heeft op 19 maart 2024 uitsprak gedaan, en deze is op 30 september jl. gepubliceerd op rechtspraak.nl (ECLI:NL:RBAMS:2024:1734). De rechtbank oordeelde dat het “zeer onwaarschijnlijk” is dat het toestaan van energielaadpunten bij het benzinestation van Total tot verkeersonveilige situaties leidt en wees het beroep af, evenals in zes andere zaken.

    Op 24 mei van dit jaar oordeelde diezelfde rechtbank Amsterdam echter anders in een achttal beroepen over vergunningen waarin de minister het besluit op het bezwaar van Fastned heeft genomen na 23 december 2022. Ook die bezwaren wees de minister af. De relevantie van deze datum: op 23 december 2023 maakte de minister, als aanvulling op de in 2004 vastgestelde Kennisgeving Voorzieningen op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen een Tijdelijke beleidsregel bekend. De regeling werd een dag later van kracht. In de Tijdelijke beleidsregel is bepaald dat een vergunning voor een aanvullende laadvoorziening slechts wordt verleend voor de periode tot aan de einddatum van de vergunning voor een basislaadvoorziening op dezelfde verzorgingsplaats of – als zo’n laadvoorziening er niet is – tot aan de einddatum van de huurovereenkomst van het ter plaatse aanwezige tankstation. Bovendien bepaalt de regeling dat geen vergunning wordt verleend als de hiervoor vermelde regel zou leiden tot een vergunning voor minder dan vijf jaar. De gedachte hierachter is dat de Staat de vergunningen voor laadvoorzieningen – die in 2012 nog werden verloot – vanaf 2027 wil gaan veilen. En er wordt uiteraard een hogere opbrengst verwacht als er op dezelfde verzorgingsplaats al laadpalen bij het tankstation aanwezig zijn.

    De rechtbank oordeelde in deze zaken (ECLI:NL:RBAMS:2024:3549) dat de minister de Tijdelijke regeling had moeten toepassen en vernietigde de vergunningen. De rechtbank heeft de minister daarbij opgedragen om binnen zes weken nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van de Tijdelijke beleidsregel. Die besluiten zal de minister intussen hebben genomen, en laadpalen waarover in de bezwaarfase is beslist na 23 december 2022 en die waren geplaatst voordat de vergunningen onherroepelijk waren, zullen moeten worden verwijderd. Het wachten is nu op de Wet op de verzorgingsplaatsen, waarin de vergunningen voor laadvoorzieningen definitief worden geregeld.

     

    [pdf-embedder url=”https://www.actlegal-netherlands.com/wp-content/uploads/Powerpoint-Mobility-Energy-gecomprimeerd.pdf”]

     

    Als u hier meer informatie over wilt, kunt u contact opnemen met Dirk van den Berg.

  • De huisvesting van arbeidsmigranten

    De huisvesting van arbeidsmigranten

    De huisvesting van arbeidsmigranten: van de huurovereenkomst van naar zijn aard korte duur naar het doelgroepencontract?

    23 oktober 2024, door Claudia van Meurs-Janssens

    Er verschijnen regelmatig berichten in de media over de misstanden rondom arbeidsmigranten. Gisteren nog het NOS bericht dat arbeidsmigranten vaak onterecht op staande voet worden ontslagen en eerder las ik dat er steeds meer dakloze arbeidsmigranten zijn. Arbeidsmigranten zijn kwetsbaar, omdat ze de taal niet spreken, hun rechten niet kennen en vaak geen sociaal vangnet in Nederland hebben. En helaas zijn er partijen die daar misbruik van maken, zowel uitzendbureaus als verhuurders.

    Voor wat betreft de huisvesting van arbeidsmigranten zijn in de Wet goed verhuurderschap al aanbevelingen uit het Roemer rapport overgenomen, waardoor de huurovereenkomst niet meer automatisch mag eindigen bij het eindigen van de arbeidsovereenkomst en de arbeidsmigrant schriftelijk moet worden geïnformeerd over zijn of haar rechten als huurder in een taal die hij of zij begrijpt.

    Arbeidsmigranten worden nu vaak gehuisvest op grond van een huurovereenkomst van naar zijn aard korte duur, zonder huur- of huurprijsbescherming. Wel geldt op grond van de ABU en NBBU cao’s een ontruimingstermijn van vier weken, waardoor de arbeidsmigrant bij het eindigen van de uitzendrelatie nog vier weken heeft om de woonruimte te verlaten en dus niet direct op straat staat.

    Ik deelde eerder al dat de wetgever bezig is met een concept wetsvoorstel waardoor de huisvesting van arbeidsmigranten alleen op basis van een doelgroepencontract plaats mag  vinden. Daarop zijn de regels van huur- en huurprijsbescherming van toepassing. Het is de vraag hoe dit concept wetsvoorstel eruit gaat zien, maar het antwoord op aan de minister van Volkshuisvesting gestelde vragen doet mij vrezen dat weinig rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden die de huisvesting van arbeidsmigranten anders maken dan reguliere huurovereenkomsten van woonruimte:

    Op welke manier vormen kennis en ervaring over de huidige juridische vraagstukken/belemmeringen in het kader van de woon en leefsituatie van arbeidsmigranten een basis voor het nieuwe type huurovereenkomst dat u gaat ontwikkelen?

    Antwoord: Het kabinet voert de aanbevelingen van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten op het terrein van wonen (‘rapport Roemer’) uit. Het kabinet introduceert daarom een doelgroepencontract voor verhuur van woonruimten aan arbeidsmigranten, waarmee zowel voor de arbeidsmigrant als voor de werkgever duidelijkheid wordt gegeven over de geldende huur(prijs)bescherming. Het kabinet streeft ernaar dit najaar een wetsvoorstel hiertoe in internetconsultatie te brengen. De kennis en ervaring over de huidige juridische situatie en hoe deze uitwerkt in de praktijk zijn belangrijk bij het vormgeven van het voorstel. Het kabinet is daarvoor doorlopend in gesprek met alle relevante ketenpartijen.

    In de praktijk wordt nu bij de verhuur aan arbeidsmigranten vaak een uitzonderingsmogelijkheid voor de huur gebruikt, namelijk een overeenkomst die ‘naar zijn aard van korte duur’ is. Het huisvesten op deze uitzonderingsmogelijkheid is echter niet altijd terecht en biedt arbeidsmigranten zeer beperkte huurbescherming. Bekend is echter ook dat arbeidsmigranten zich hiervan doorgaans niet bewust zijn. Het gevolg is dat arbeidsmigranten in de praktijk waar de feitelijke situatie niet naar zijn aard van korte duur is, geen huurbescherming en huurprijsbescherming genieten, hetgeen tot misstanden kan leiden.

    Voorts geldt dat veel locaties waar arbeidsmigranten worden gehuisvest, niet een bestemming hebben waar permanent gewoond mag worden. Dit leidt tot onduidelijkheid over de geldende huur(prijs)bescherming, in het bijzonder bij verhuurders en gemeenten. Deze onduidelijkheid kan een belemmering vormen voor de inzet van het kabinet om werkgevers van arbeidsmigranten afspraken te laten maken met gemeenten over waar hun tijdelijke werknemers worden gehuisvest en daarbij meer ruimte te laten voor de huisvesting op het eigen terrein van de werkgever. Het doelgroepcontract voor arbeidsmigranten moet een oplossing bieden voor de beschreven situaties.

    Ik lees tot nu toe nergens over de specifieke behoeftes en praktische uitdagingen bij de huisvesting van arbeidsmigranten. Dat was ook al het geval toen het nieuwe Woningwaarderingsstelsel voor onzelfstandige woonruimte werd ontwikkeld en in werking trad. Het woord arbeidsmigrant kwam daar überhaupt niet in voor. En precies daar wringt de schoen, want de huisvesting van arbeidsmigranten is echt een vak apart. Het woningwaarderingsstelsel houdt daar geen rekening mee. Er worden immers geen punten toegekend voor intensiever beheer (bijvoorbeeld in de vorm van een receptie en 24/7 begeleiding) en de recreatieve- en sportvoorzieningen die met name in grote complexen beschikbaar én noodzakelijk zijn. Naast het puntenstelsel, zijn er bij de huisvesting van arbeidsmigranten ook praktische belemmeringen met betrekking tot de servicekosten.  De huisvesting van arbeidsmigranten is meestal tijdelijk en kort en daarbij past het niet om een voorschot voor de servicekosten te rekenen en dat steeds na enkele maanden te moeten verrekenen als de arbeidsmigrant weer vertrekt. Zeker bij grote complexen is dat onwerkbaar. Daarom wordt bij de huisvesting van arbeidsmigranten vaak met all-in huren gewerkt. Maar dat past weer niet bij de reguliere huurprijsbescherming, want dan kan de huurprijs worden gesplitst.

    De behoefte aan arbeidsmigranten is groot dus we kunnen het ons niet veroorloven dat er een nog groter tekort aan huisvesting ontstaat, met risico’s als nog meer dakloze arbeidsmigranten of nog meer schimmige partijen die buiten de radar te veel arbeidsmigranten in krotten laten verblijven. Probeer als wetgever nu juist ontwikkelaars te stimuleren om kwalitatief hoogstaande complexen voor de huisvesting van arbeidsmigranten op daarvoor geschikte locaties te bouwen door rekening te houden met die bijzonderheden.

    Blijkbaar is het nog steeds de planning dat het concept wetsvoorstel dit najaar nog ter internetconsultatie gaat. Misschien valt het allemaal reuze mee en luistert het kabinet daadwerkelijk naar de relevante ketenpartijen waarmee gesprekken plaatsvinden, maar ik wacht in spanning af. Zodra het wetsvoorstel ter internetconsultatie gaat, deel ik dat uiteraard.

    Als u hier meer informatie over wilt, kunt u contact opnemen met Claudia van Meurs-Janssens.

  • Het goed huurderschap onder de loep

    Het goed huurderschap onder de loep

    Het goed huurderschap onder de loep

    14 oktober 2024, door Claudia van Meurs-Janssens

    Op 1 juli 2023 is de Wet goed verhuurderschap in werking getreden. Deze wet is bedoeld om allerlei praktijken van slecht verhuurderschap bij de verhuur van woonruimte te voorkomen en te bestraffen, uiteenlopend van discriminatie en intimidatie tot het niet juist afrekenen van de servicekosten en het overschrijden van termijnen bij de terugbetaling van de waarborgsom.

    In de aanloop naar de inwerkingtreding van de Wet goed verhuurderschap en ook daarna, verschenen op Linkedin vaak berichten als: ‘’wanneer komt er eens een wet goed huurderschap’’ en ‘’hoeft de huurder zich dan niet te gedragen’’. Goed nieuws: het goed huurderschap is al vastgelegd in de wet en wel in artikel 7:213 BW. Hoog tijd om dat goed huurderschap van huurders van woonruimte eens onder de loep te nemen.

    De huurovereenkomst

    Los van het feit dat een huurder zich op grond van de wet als een goed huurder dient te gedragen, is de huurder ook gebonden aan de huurovereenkomst. In de huurovereenkomst en de algemene bepalingen staan vaak hele concrete bepalingen. Denk daarbij aan een verbod om zonder toestemming wijzigingen in de huurwoning aan te brengen, een verbod om overlast te veroorzaken of een verbod om te roken in de huurwoning. Een huurder is in beginsel gebonden aan dit soort bedingen in de huurovereenkomst, tenzij een beding bijvoorbeeld vernietigbaar is of in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Een beding kan ook botsen met een grondrecht, zoals het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Een algemeen verbod tot het houden van huisdieren kan daarop sneuvelen, tenzij er goede gronden zijn om huisdieren te verbieden.

    Goed huurderschap op grond van de wet

    Het wettelijke goed huurderschap van artikel 7:213 BW is een open norm. Een goede huurder gedraagt zich redelijk en zorgvuldig, passend bij de situatie. Hij houdt daarbij rekening met wat de maatschappij verwacht en wat eerlijk is. Dit betekent dat de huurder niet alleen aan zichzelf denkt, maar ook aan de rechten en belangen van de verhuurder en anderen. Kortom, een goede huurder doet wat juist is, gezien de omstandigheden en met respect voor alle betrokkenen. Hieronder bespreek ik een paar veel voorkomende situaties.

    Eigen gebruik woning?

    Bij woonruimte volgt de verplichting om de woning zelf te gebruiken en daar het hoofdverblijf te houden niet per definitie uit de wettelijke open norm van goed huurderschap. Daarom is het van belang dat deze plichten worden opgenomen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden. In het ROZ woonruimtemodel is daarin voorzien in de algemene bepalingen.

    Schade veroorzaken of niet voorkomen

    De huurder van woonruimte dient schade aan de huurwoning, de omgeving of aan de verhuurder te vermijden. Een huurder gedraagt zich niet als goed huurder bij verloedering, het stallen van brandbare stoffen, de opslag van onprofessioneel vuurwerk, het vernielen van de verlichting in de huurwoning, maar ook bij het nauwelijks plegen van huurdersonderhoud.

    Het zonder toestemming onderverhuren van de woning of te huur aanbieden kan ook strijdig zijn met het goed huurderschap, net als het gebruik van de huurwoning voor illegale seksuele dienstverlening.

    Strafbare feiten

    Het plegen of voorbereiden van strafbare feiten vanuit de huurwoning, kan strijdig zijn met het goed huurderschap, maar is dat niet altijd. Een vaak genoemd voorbeeld is het onjuist invullen van een belastingformulier. Dit levert niet per definitie een nadeel of risico voor de verhuurder op, terwijl dit bij andere strafbare feiten veel eerder het geval kan zijn. Denk aan het handelen in (hard)drugs vanuit de huurwoning, of het aanwezig zijn van een drugslab. Prostitutiepraktijken worden ook gezien als strijdig met het goed huurderschap.

    Overlast

    Een huurder mag geen onrechtmatige overlast bezorgen aan buren. Daarbij wordt gekeken naar de mate van hinder, de vraag in hoeverre het gedrag van de huurder onbetamelijk is, maar ook in hoeverre er wellicht een rechtvaardigingsgrond aanwezig is. De overlast moet wel objectief kunnen worden vastgesteld. De (subjectieve) beleving van een buur is niet voldoende.

    Strijd met het goed huurderschap: en dan?

    Net als een verhuurder dient ook een huurder zich goed te gedragen. Dat is al wettelijk vastgelegd, natuurlijk wel met het grote verschil dat gemeentes en de huurcommissie niet zien op de naleving van het goed huurderschap door de huurder en dat er ook geen boetes worden opgelegd als de huurder in strijd met het goed huurderschap handelt. De bal ligt dan bij de verhuurder. Als de tekortkoming voldoende ernstig is om een ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen en er geen omstandigheden zijn die aan die ontbinding in de weg liggen, kan de verhuurder de beëindiging van de huurovereenkomst in een bodemprocedure vorderen. Als het echt de spuigaten uitloopt en de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht, kan de verhuurder vooruitlopend daarop ontruiming vorderen in kort geding. Dat wordt alleen toegewezen als voldoende aannemelijk is dat de ontbinding in de bodemprocedure zal worden toegewezen. Los van de beëindiging van de huurovereenkomst, kan de verhuurder bij strijd met het goed huurderschap aanspraak maken op betaling van een boete als dat in de huurovereenkomst staat en dat boetebeding niet oneerlijk is.

    Verhuurders van woonruimte die meer informatie willen, kunnen contact opnemen met Claudia van Meurs-Janssens.