Categorie: Ondernemingsrecht

  • Verpanding van toekomstige vorderingen

    Op 19 februari 2013 heeft het gerechtshof Amsterdam (LJN BZ5605) een arrest gewezen over de verpanding van toekomstige vorderingen.

    Op grond van art. 3:239 lid 1 BW kan een pandrecht op een vordering worden gevestigd indien de vordering op het tijdstip van de vestiging van het pandrecht reeds bestaat of rechtstreeks zal worden verkregen uit een op dat tijdstip reeds bestaande rechtsverhouding.

    In een arrest van het gerechtshof Amsterdam speelde de vraag of een vordering voortvloeiende uit een overeenkomst nog steeds was verpand aan de bank nadat de oorspronkelijke overeenkomst drastisch was gewijzigd.

    Bij afweging van de feiten en omstandigheden komt het hof in deze uitspraak tot het oordeel dat indien hetgeen later nader is overeengekomen een zodanige wijziging heeft gebracht in het karakter van de rechtsverhouding tussen de partijen, er vanaf de wijziging sprake is van een andere rechtsverhouding in de zin van art. 3:239 lid 1 BW dan voordien.

    Het hof wijst op de parlementaire geschiedenis bij art. 3:239 BW. De begrenzing van de mogelijkheid van het stil verpanden van toekomstige vorderingen is ingevoerd omdat een ruimere mogelijkheid ten koste zou gaan van de gewone schuldeisers, aan wie slechts het middel van derdenbeslag ter beschikking staat.

     

    Bob Heijne

  • Letter of Intent, Memorandum of Understanding: (vrij)blijvend?

    Letter of Intent, Memorandum of Understanding: (vrij)blijvend?

    Een bedrijfsovername is vaak een complex proces. Hoewel bij bedrijfsovernames in zekere mate vaak sprake is van een vast stramien, is dat zeker niet altijd het geval. In de beginfase, wordt in veel gevallen een Letter of Intent (“LOI”) tussen de kopende en verkopende partij gesloten. Ook wordt wel gesproken van een Memorandum of Understanding of, in goed Nederlands, van een Intentieovereenkomst of Intentieverklaring. Ik gebruik hierna gemakshalve alleen nog de term Letter of Intent.

    Wel of niet bindend

    Het komt niet zelden voor dat een cliënt zich bij mij meldt, met een getekende Letter of Intent. De cliënt is dan in de veronderstelling nog van de overname af te kunnen zien, want er is immers ‘slechts’ een Letter of Intent. Kortom, er is niet meer dan een intentie en dus geen juridische gebondenheid.

    Maar is dat wel zo? Wat is een Letter of Intent precies? Is een Letter of Intent daadwerkelijk niet-bindend? Met andere woorden: kun je nog van de overname af als een LOI is getekend?

    Zuivere Letter of Intent

    In de zuivere LOI wordt alleen een aantal procedureafspraken vastgelegd. Deze afspraken hebben bijvoorbeeld betrekking op: de verschillende te maken stappen in het overnameproces; de mate waarin en voorwaarden waaronder door de potentiële verkoper informatie wordt verschaft aan de potentiële verkoper (geheimhouding) en de wijze waarop zal worden omgegaan met andere potentiële kopers (exclusiviteit).

    De LOI bepaalt eigenlijk de weg en voorwaarden waaronder de partijen naar een koopovereenkomst toewerken. De koopovereenkomst zelf zal – indien daar ook overeenstemming wordt bereikt – uiteindelijk in een apart document worden vastgelegd.

    Feitelijk een koopovereenkomst

    In de praktijk worden echter onder de noemer ‘Letter of Intent’ afspraken vastgesteld die veel verder gaan en die ook veel verstrekkender gevolgen kunnen hebben. Belangrijk is dat een document met name wordt beoordeeld op de inhoud daarvan en niet (slechts) op basis van de titel. Indien een letter of intent bepaalt dat partijen overeenkomen dat een onderneming tegen een zekere prijs wordt verkocht dan is feitelijk sprake van een koopovereenkomst en dan zijn partijen daaraan in beginsel ook gebonden en is er geen weg terug.

    In mijn praktijk heb ik inmiddels vele voorbeelden voorbij zien komen waarbij de Letter of Intent feitelijk een koopovereenkomst inhield en een partij zich zonder zich dat goed te realiseren, had gecommitteerd zodat geen ruimte voor onderhandelingen meer bestond.

    Lees voor meer informatie over de LOI “Bindende bepalingen in een Letter of Intent“.

     

  • ‘Gotta make money somehow’

    Schikking Rabobank

    Op 29 oktober 2013 heeft Rabobank een persbericht uitgebracht waarin zij bekend maakt dat zij met diverse binnenlandse en buitenlandse autoriteiten een schikking heeft getroffen in de LIBOR- en Euribor-onderzoeken. Rabobank betaalt een boete van ca. 774 miljoen euro.

    De Nederlandsche Bank heeft, eveneens in een persbericht, verklaard dat na een omvangrijk onderzoek is gebleken dat de interne organisatie van Rabobank niet op orde was.

    LIBOR en Euribor

    LIBOR (London Interbank Offered Rate) en Euribor (Euro Interbank Offered Rate) zijn – kort gezegd – rentetarieven die banken elkaar onderling in rekening brengen op de financiële (geld)markten.

    LIBOR en Euribor worden dagelijks berekend aan de hand van opgaves (submissions) van een aantal banken die zitting hebben in daarvoor speciaal bedoelde panels (LIBOR Contributor Panel en Euribor Contributor Panel). Rabobank maakt onderdeel uit van die panels en geeft in dat kader dagelijkse submissions teneinde de tarieven vast te stellen. Thomson Reuters publiceert de aldus vastgestelde LIBOR en Euribor dagelijks.

    LIBOR en Euribor worden onder meer gebruikt voor de (financiële) afwikkeling van onder meer derivaten (zoals swaps, opties en futures). Banken, waaronder Rabobank, handelen in derivaten en hebben daarom een groot financieel belang bij de actuele standen van LIBOR en Euribor.

    ‘Gotta make money somehow’

    Binnen Rabobank bleken derivatenhandelaren (traders) contact te onderhouden met medewerkers (submittors) die namens Rabobank zitting hadden in de Contributor Panels. De Rabobank-traders hebben in de periode van 2005 tot 2010 herhaaldelijk – en succesvol – de Rabobank-submittors gevraagd submissions overeenkomstig hun wensen door te geven aan de Contributor Panels, teneinde voor de traders gunstige LIBOR en Euribor-tarieven te realiseren. Deze contacten vonden plaats via elektronisch berichtenverkeer, telefoon en face-to-face.

    Sprekend voorbeeld is de berichtenwisseling tussen een Rabobank-trader en een Rabobank-submittor op de maandagochtend van 13 augustus 2007:

    Trader:              “High 3s and 6s pls today mate (esp 6mths!!) if u would be so kind.. Gotta make money somehow!”
    Submittor:         “cool..”

    Gotta pay damages?

    LIBOR en Euribor is echter niet alleen van groot belang voor de financiële afwikkeling van derivaten. Ook de rentetarieven van zakelijke en particuliere leningen zijn vaak gebaseerd op LIBOR of Euribor (al dan niet verhoogd met een toeslag).

    Een voor de hand liggende vraag is of die kredietnemers schade hebben geleden door de manipulatie van de Libor- en Euribor-tarieven: als die tarieven kunstmatig  hoog zijn gehouden, hebben de kredietnemers mogelijk teveel rente betaald. Rabobank zelf zwijgt hier vooralsnog over, maar is in beginsel wel aansprakelijk als de tarieven door toedoen van haar traders en submittors inderdaad kunstmatig hoog zijn gehouden.

    Verhaal: collectief vs. individueel

    Inmiddels zijn de eerste massaclaims van mogelijk gedupeerden een feit. Onder meer Amerikaanse advocatenkantoren, die op no-cure-no-pay basis werken, hebben Rabobank aansprakelijk gesteld. In Nederland zullen collectieve acties ongetwijfeld eveneens snel volgen. Via een collectieve actie proberen schade vergoed te krijgen, kan succesvol zijn en kan relatief goedkoop zijn. Nadeel van een collectieve actie kan zijn dat het doorgaans een langdurig proces is en dat ‘free riders’ vaak profiteren van door anderen opgetuigde collectieve acties. Het komt niet zelden voor dat collectieve acties stranden wegens geldgebrek. Goedkoop is in die gevallen duurkoop.

    Een alternatief is om op individuele basis te pogen schade vergoed te krijgen. Je kunt dan meer ‘onder de radar’ opereren (en niet of slechts in beperkte mate de media opzoeken) en zo een individuele regeling proberen te treffen. Dit kan deuren openen, omdat de schadeplichtige zo geen precedenten schept (onderdeel van een regeling is doorgaans dat die strikt geheim wordt gehouden).

    Een tussenvorm is eveneens mogelijk: met een beperkte, homogene, groep gezamenlijk een actie starten.

     

  • De pre-pack wordt geregeld!

    Wettelijke basis voor pre-pack

    De nieuwe hit in faillissementsland, de zogenaamde pre-pack ofwel stille bewindvoering, krijgt een wettelijke basis. Minister Opstelten heeft woord gehouden en op 22 oktober 2013 een wetsvoorstel gepubliceerd. Dat was hard nodig, want de huidige praktijk (denkt u aan Marlies Dekkers en Schoenenreus) had geen grondslag. Die komt er nu wel, maar daarmee zijn de problemen nog niet uit de wereld. Een voorbeeld bespreek ik in dit blog.

    De Nederlandse pre-pack komt erop neer dat een schuldenaar de rechtbank vraagt om te laten weten wie zal worden aangewezen als curator indien de schuldenaar failliet zou gaan. De rechtbank beslist hierover achter gesloten deuren. Een positieve beslissing komt terecht in een beschikking, die niet wordt gepubliceerd. Vervolgens bereiden de beoogd curator en schuldenaar een doorstart voor, die wordt voltooid nadat het faillissement is uitgesproken. Voor de buitenwereld is tot dat moment niet te achterhalen of er een beoogd curator is; de onderneming draait door alsof er niets aan de hand is.

    Knelpunt: onbekendheid leidt tot hogere schulden

    Een voorbeeld van een knelpunt onder de voorgestelde pre-packregeling is het volgende. Stel, er is een schoenenwinkel. Het gaat sinds 2012 heel slecht met de winkel omdat er veel concurrentie is van webshops. De winkel vraagt om een beoogd curator en krijgt die toegewezen door de rechtbank. De leverancier weet niet dat de winkel afstevent op faillissement, laat staan dat de leverancier weet dat er een beoogd curator is. In strijd met het wettelijke uitgangspunt, wordt de beschikking van de rechtbank immers niet in het openbaar uitgesproken. De leverancier blijft dus schoenen leveren. Na drie weken is een doorstart voorbereid en gaat de winkel failliet. De leverancier blijft zitten met een concurrente vordering, die aanzienlijk hoger is dan de vordering was ten tijde van de aanwijzing van de beoogd curator. De leverancier zit dus nu in een slechtere positie dan zonder pre-pack het geval zou zijn geweest.

    Rechtvaardiging is illusie
    Het wetsvoorstel zoekt de rechtvaardiging hiervoor in het realiseren van een hogere opbrengst dan zonder voorgekookte doorstart. Daardoor zouden de schuldeisers meer geld ontvangen. Dat is een mooi streven, vooral als je bedenkt dat in de huidige situatie slechts in 5% van de faillissementen enige betaling aan concurrente schuldeisers plaatsvindt.

    Alleen daar wringt de schoen: bijna altijd zijn de activa – machines, voorraden, debiteuren etc. – verpand aan de bank. Dat betekent dat de opbrengst naar de bank gaat, zonder dat de gewone schuldeisers daar iets van terugzien. Het wetsvoorstel brengt daar geen wijziging in, zodat de pre-pack er slechts toe zal leiden dat de bank meer opbrengst krijgt. De andere belanghebbenden vissen (nog steeds) achter het net.

    Oplossingen
    Hoe kan dit beter? Er zijn eenvoudige oplossingen te bedenken, bijvoorbeeld:
    – Laat de meerwaarde die wordt gerealiseerd ten goede komen aan alle crediteuren gezamenlijk.
    – Of laat de bank een vast deel van de opbrengst afstaan ten behoeve van de andere schuldeisers.

    Waardevol instrument
    Indien de voorgestelde pre-pack wordt ingevoerd, doet dit afbreuk aan de rechten die crediteuren in de loop der tijd hebben verworven. De verhaalspositie van schuldeisers verslechtert eerder dan dat deze verbetert. Naar mijn mening, biedt de pre-pack veel kansen en mogelijkheden, maar niet in de voorgestelde vorm. Het huidige voorstel leidt er slechts toe dat de (toch al) sterke positie van de banken verder wordt verstevigd en wel ten koste van de andere schuldeisers. Dat is zonde van het waardevolle instrument, dat de pre-pack in deze crisistijd zou kunnen zijn.

    Neem voor meer informatie over dit onderwerp contact op met Duco van Dongen. Duco van Dongen werkt sinds mei 2014 als advocaat bij Fort Advocaten binnen de sectie Faillissementsrecht.

     

  • Familiebedrijven toch minder crisisbestendig?

    Familiebedrijven toch minder crisisbestendig?

    Begin april van dit jaar werd in een rapport van ING, MKB Nederland en Ernst & Young nog geconcludeerd dat familiebedrijven – mede vanwege hun solide financiering – tegen een stootje kunnen, innovatiever zijn dan andere bedrijven en minder snel failliet gaan. Naar aanleiding van de recente berichten rondom het faillissement van OAD Reizen komt de vraag op of familiebedrijven als OAD toch minder crisisbestendig zijn dan gedacht.

    Financiering niet op orde
    Los van de vraag of op het punt van innovatie bij OAD alles op orde was, lijkt uit krantenberichten over het OAD faillissement te volgen dat OAD al enige tijd kampte met financiële problemen – benodigde aanvullende financiering door de bank bleef kennelijk uit – en dat er intern onenigheid bestond over de te volgen aanpak om deze problemen te boven te komen.

    De financierende bank zou het management van OAD in de ogen van datzelfde management te weinig tijd hebben gegund om de financiën op orde te krijgen. Of dit uitblijven van aanvullende financiering de oorzaak van het faillissement is geweest, of dat een faillissement op enig moment in dit specifieke geval had kunnen worden afgewend, is mij niet duidelijk.

    Verweven belangen
    Wat onderscheidt familiebedrijven als OAD nu van andere bedrijven? Bij familiebedrijven bestaat overlap tussen bedrijf(sleiding), de eigendom van het bedrijf en de familie. Door de verwevenheid van deze elementen ontstaat er ook een verwevenheid van belangen. Het belang van de familie staat daarbij bij de meeste familiebedrijven voorop. De continuïteit van de onderneming onder leiding van de familie wordt daarbij vaak als leidend gezien.

    Geduldig kapitaal
    Veel familiebedrijven financieren hun activiteiten bij voorkeur uit eigen middelen. De winst vloeit vaak geheel of gedeeltelijk terug in het bedrijf en wordt geïnvesteerd in nieuwe ontwikkelingen. Er wordt gemiddeld genomen terughoudend omgegaan met het aangaan van geldleningen.

    Dit betekent dat de invloed van derden, zoals banken, bij familiebedrijven doorgaans minder groot is dan bij het gemiddelde bedrijf. Door dit gegeven wordt in het algemeen aangenomen dat bij familiebedrijven gemakkelijker aan het realiseren van de lange termijn strategie wordt toegekomen.

    De verwachting dat investeringen op korte termijn worden terugverdiend bestaat veelal niet, waardoor het voortbestaan van het bedrijf niet direct onder druk komt te staan als de resultaten even achterblijven; het kapitaal is ‘geduldiger’.

    Externe invloed
    Of moet worden geconcludeerd dat familiebedrijven inmiddels (gemiddeld genomen) niet crisisbestendiger zijn dan andere bedrijven valt moeilijk te zeggen. Mijns inziens hangt dit af van een aantal variabelen die per individueel geval gelden, zoals de mate van afhankelijkheid van extern kapitaal en (daarmee) de externe invloed op de onderneming.

    Neem voor meer informatie over dit onderwerp contact op met Annemiek Nass. Annemiek is sinds november 2015 werkzaam binnen de procespraktijk van de sectie Ondernemingsrecht.

  • NS richt haar pijlen ook op Fyra-moedermaatschappij

    De NS kiest ervoor om ook moederbedrijf Finmeccanica aansprakelijk te stellen, omdat ze vreest dat Ansaldo Breda onvoldoende verhaal zal bieden voor haar schade. Finmeccanica heeft zich bij de ondertekening van het contract garant gesteld voor AnsaldoBreda. Daarmee heeft zij zich jegens NS verbonden voor de verplichtingen van haar dochter.

    De NS zegt aanspraak te maken op honderden miljoenen euro’s. Voor de treinen zelf heeft de NS 200 miljoen euro betaald. Daarnaast eist zij van de Italianen een vergoeding voor alle misgelopen winsten en gemaakte kosten door de uitval van treinen en juridische procedures. De claim wordt neergelegd in een bodemprocedure die AnsaldoBreda heeft aangekondigd.

  • Doorstarts OAD goed?

    Binnen een week na faillissement drie doorstarts. In het weekend werd bekend dat een tweetal bedrijfsonderdelen van het failliete OAD door de curator werden verkocht, een dag later komt het nieuws dat ook een derde bedrijfsonderdeel wordt verkocht.

    Dat is op zich goed voor -bijvoorbeeld- behoud van werkgelegenheid en waardebehoud van de onderneming. Goodwill smelt in faillissement als sneeuw voor de zon.

    Toch kunnen er ook vragen worden gesteld. Zoals, hoeveel partijen zijn in de gelegenheid gesteld om een bieding uit te brengen. Hoe kan worden gewaarborgd dat dit de beste opbrengst is? Wat is er kort voor faillissement al gebeurd om een doorstart voor te bereiden?

    De curatoren hebben als taak een zo groot mogelijke opbrengst te realiseren voor de schudeisers. Iedere koopman weet dat het benaderen van meerdere bieders en deze tegen elkaar uitspelen goed is voor de prijs. Maar dat kost tijd. Vooral voor externe partijen is het noodzakelijk om zich eerst in te lezen voordat zij een goed bod kunnen uitbrengen. Voor de curatoren overigens ook. Omdat deze tijd er vaak niet is, komt de curator snel uit bij het zittend management; die de onderneming kent van haver tot gort.

    Maar dan treedt er een nieuw spanningveld op: het management heeft als koper belang bij een zo laag mogelijke koopprijs maar is wel verplicht de curator te assisteren om een zo hoog mogelijke koopprijs te genereren. Wat laat hij voorgaan?

    Al met juich ik de doorstarts toe maar ik ben wel erg benieuwd naar het eerste faillissementsverslag waarin de verantwoording van de transacties valt te lezen. Dit wordt gepubliceerd binnen een maand na faillietverklaring. Hopelijk weten we dan meer.

    Auteur: Derk M. van Geel

  • Deutsche Bank zegt krediet op: wat te doen?

    Gevolgen kredietcrisis voor kredietverlening

    De overvloed aan liquiditeit die voorafgaande aan de crisis voorradig was tegen historisch zeer gunstige prijzen, resulteerde in een onstuimige groei van kredietverlening aan onder meer het midden- en kleinbedrijf (mkb). Voor de vastgoedsector in het bijzonder kwam daarbij dat er geen grenzen leken te bestaan aan de prijsontwikkeling van het onderliggende onderpand. Ook banken uit het buitenland betraden de markt.

    Met de kredietcrisis kwam een abrupt einde aan deze ontwikkeling. Financiële instellingen voelden als eerste de pijn van het wegvallen van het onderlinge vertrouwen tussen banken. Een fors aantal buitenlandse banken heeft zich inmiddels teruggetrokken uit de Nederlandse markt sinds het uitbreken van de kredietcrisis.

    Deutsche Bank en mkb

    Ook Deutsche Bank neemt maatregelen: zij heeft aangekondigd afscheid te zullen nemen van 16.000 mkb-ondernemers. Het gaat om ondernemers met een rekening-courantkrediet. Deze ondernemers kwamen in 2009 gedwongen bij Deutsche Bank terecht toen deze bank onderdelen van ABN AMRO overnam.

    Deutsche Bank heeft de mkb-ondernemers inmiddels brieven verstuurd waarin zij de bancaire relatie en de rekening-courantkredieten opzegt tegen een opzegtermijn van 6 maanden.

    Duizenden mkb-ondernemers komen hierdoor in ernstige, zo niet fatale, problemen. Het is momenteel vrijwel niet mogelijk naar een andere bank over te stappen, of soms slechts onder veel ongunstiger voorwaarden. Veel mkb-ondernemers komen daardoor in acute liquiditeitsnood.

    De problemen kunnen nog verergeren als de ondernemer een rente- of andere swap (een soort verzekeringsproduct) heeft afgesloten: als die swap vervroegd wordt beëindigd, moeten hoge break fees worden betaald door de mkb-ondernemer.

    Opzegging en zorgplicht

    Deutsche Bank is niet de eerste buitenlandse bank die zich terugtrekt van de Nederlandse financieringsmarkt. In mijn praktijk zijn diverse soortgelijke situaties aan de orde en aan de orde geweest.

    Deutsche Bank is echter gebonden aan rechtsregels waar het gaat om het beeindigen van kredietovereenkomsten. In de door Deutsche Bank gehanteerde algemene bankvoorwaarden is namelijk bepaald:

    “De bank neemt bij haar dienstverlening de nodige zorgvuldigheid in acht en houdt daarbij naar beste vermogen rekening met de belangen van de cliënt. Geen van de bepalingen van deze algemene bankvoorwaarden of van de door de bank gebruikte bijzondere voorwaarden kan aan dit beginsel afbreuk doen.”

    Daarnaast is in de jurisprudentie de norm ontwikkeld dat een bank:

    “uit hoofde van de maatschappelijke functie van banken een bijzondere zorgplicht heeft […] jegens haar cliënten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding […]”

    Wat dit laatste betreft is het vaste jurisprudentie dat de reikwijdte van die zorgplicht afhangt van de omstandigheden van het geval. De vraag of een opzegging van een krediet van een specifieke  leningnemer in strijd is met voornoemde normen, zal daarom op individuele basis en van geval tot geval moeten worden beoordeeld. Van een eenvoudige ‘one size fits all’-oplossing is beslist geen sprake.

    Voorbeelden van omstandigheden die zoal een rol kunnen spelen zijn:

    i.        de duur, de mate van exclusiviteit, de omvang en de ingewikkeldheid en het verloop van de kredietrelatie;

    ii.        welke termijn de kredietnemer krijgt om een andere (huis)bankier te zoeken en welke ernstige financiële problemen voor de
    kredietnemer (zullen) ontstaan indien hij zijn financieringsbehoefte niet op korte termijn elders kan onderbrengen;

    iii.        de wijze van besluitvorming van de bank voorafgaand aan de opzegging en de wijze waarop overleg is gevoerd met de kredietnemer en of en in welke mate de bank de kredietnemer tevoren heeft gewaarschuwd; en

    iv.        andere maatschappelijke belangen.

    Een andere mogelijke uitweg is de volgende. De wet maakt het de rechter mogelijk een kredietovereenkomst (en eventueel bijbehorende swap-overeenkomst) te wijzigen in het geval van “onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten”. In zo’n geval zou de rechter de opzeggingsbevoegdheid van deutsche Bank (al dan niet tijdelijk) kunnen uitsluiten of inperken.

    Er valt zeker wat voor te zeggen dat de kredietcrisis een onvoorziene omstandigheid is (voor zover de kredietovereenkomst voorafgaand aan de kredietcrisis is afgesloten). De omvang en impact van de kredietcrisis overstijgt de min of meer gebruikelijke – en dus voorzienbare – conjunctuurschommelingen. Er is sprake van een unieke crisissituatie.

    Wat te doen?

    Degenen die er inmiddels in zijn geslaagd hun kredietovereenkomst over te sluiten, mogen van geluk spreken. Degenen die dat niet is gelukt, hebben gezien het voorgaande vooralsnog geen reden het hoofd in de schoot te leggen.

    In ieder geval is het noodzakelijk de voor uw onderneming relevante omstandigheden, de verwachtbare gevolgen van een opzegging door Deutsche Bank, én alle relevante clausules van uw kredietovereenkomst in kaart te brengen. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld in hoeverre en op grond van welke omstandigheden een beroep kan worden gedaan op (i) de bijzondere zorgplicht van Deutsche Bank, en/of (ii) onvoorziene omstandigheden. Deze beoordeling is maatwerk, en zal voor elk van de 16.000 anders uitpakken.

    Het is in mijn optiek niet raadzaam onvoorbereid en zonder plan van aanpak de Deutsche Bank te benaderen. Deutsche Bank heeft haar eigen belangen en zal daarnaar blijven handelen.

  • MKB: houd de bank buiten de deur

    Houd de bank buiten de deur

    Wanneer u uw bedrijfsactiviteiten door een bank laat financieren wees dan alert. Indien de bank een pandrecht op de aandelen van uw onderneming eist, kan het namelijk zijn dat u daardoor de deur openzet voor een zogenaamde ‘enquêteprocedure’.

    Kort gezegd houdt een enquêteprocedure in dat een speciaal daarvoor bevoegde rechter, namelijk de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam, één of meer onderzoekers beveelt een onderzoek te doen naar de ‘gang van zaken en het beleid’ binnen een rechtspersoon (zoals een B.V. of een N.V.). Feitelijk wordt de onderneming dan binnenstebuiten gekeerd.

    Drukmiddel
    Indien de Ondernemingskamer zo’n onderzoek naar de gang van zaken en het beleid van een rechtspersoon beveelt, heeft dat zeer ingrijpende consequenties: de kosten van het onderzoek moeten door de rechtspersoon worden betaald; bestuurders en aandeelhouders kunnen op een zijspoor worden gezet; genomen besluiten kunnen worden vernietigd en teruggedraaid; en de enquêteprocedure kan een inleiding vormen voor een tweede procedure waarbij bestuurders in privé aansprakelijk worden gesteld. Daar komt bij dat de Ondernemingskamer enquêteverzoeken vrij snel behandelt en ook vrij snel een (eerste) uitspraak doet. Door dit alles samen wordt er in de praktijk graag en regelmatig gebruik gemaakt van de enquêteprocedure, vaak zelfs uitsluitend als drukmiddel.

    De Ondernemingskamer geeft zo’n tot een onderzoek naar de gang van zaken en het beleid binnen een rechtspersoon niet zomaar. Hierom moet door zogenaamde ‘enquêtegerechtigden’ worden verzocht. De wet bepaalt wie enquêtegerechtigd zijn (sinds kort is de faillissementscurator hieraan toegevoegd).

    Uitspraak Ondernemingskamer
    Hoewel het níet met zoveel woorden in de wet staat, heeft de Ondernemingskamer in een vrij recente uitspraak bepaald dat een financierende bank óók ‘enquêtegerechtigd’ kan zijn. Een bank is dat niet onder alle omstandigheden, maar kan dat wel degelijk zijn indien aan haar een pandrecht op de aandelen in de rechtspersoon is verstrekt. Bij MKB-financieringen komt dat in de praktijk vaak voor. Daarnaast moet er sprake zijn van specifieke bepalingen in de statuten van de rechtspersoon en in de pandakte.

    Voorkom bij het aantrekken van een (bank)financiering en bij het verstrekken van pandrecht op aandelen, dat de financierende bank ‘enquêtegerechtigd’ wordt. Immers, wanneer uw vennootschap onverhoopt in betalingsmoeilijkheden komt, wilt u niet dat uw bank een enquêteprocedure begint met alle verregaande en hierboven beschreven gevolgen van dien.

  • Securitisatie van geldleningen

    Dit blog is geschreven naar aanleiding van een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 mei 2013 over de securitisatie van geldleningen. Klanten van een bank hadden zich op het standpunt gesteld dat ze hun ‘hypotheek’ niet meer hoefde af te lossen, omdat hun geldlening met de daarbij behorende hypotheek door de bank was verkocht in een securitisatie transactie.

    In de kern komt securitisatie erop neer dat een bank de vordering uit de geldleningovereenkomst met de bijbehorende hypotheek overdraagt aan een speciaal hiervoor opgerichte vennootschap, een special purpose vehicle (SPV) genaamd. Hiervoor betaalt de SPV een koopprijs. Deze koopprijs financiert de SPV door de uitgifte van obligaties. Houders van de obligaties hebben doorgaans recht op betaling van rente en – uiteindelijk – terugbetaling van het door hen geïnvesteerde bedrag.

    Doordat de vordering van geldlening was verkocht dachten de klanten van de bank zich op het standpunt te kunnen stellen dat de bank al was voldaan en dus geen vordering meer op hen had.

    Banken zijn in beginsel op grond van artikel 3:83 BW bevoegd om de vordering voortvloeiende uit de geldleningenovereenkomst over te dragen. Dat die vordering uit het vermogen van de bank is verdwenen betekend uiteraard niet dat de vordering zelf niet meer bestaat en dat bijgevolg is dat men niet meer hoeft te betalen.

    Van het hele securitisatie proces heeft de klant vaak geen weet. Het heeft in beginsel ook geen gevolgen voor de betaling van de maandelijkse aflossingen en hypotheekrenten. Men kan ook gewoon bevrijdend blijven betalen aan de bank, omdat er sprake is van een stille cessie (artikel 3:94 lid 3 BW).

    De zorgplicht van de bank brengt ook niet mee dat de bank klanten bij het aangaan van een geldleningovereenkomst moet meedelen dat zij mogelijk overgaat tot securitisatie.

    De conclusie van de rechtbank Rotterdam in deze zaak  was ook niet verrassend. De klanten moesten gewoon hun ‘hypotheek’ blijven aflossen, omdat door de securitisatie de vordering op de klanten niet teniet was gegaan. [rechtbank Rotterdam 1 mei 2013, LJN CA2973].

    Auteur: Dagmar Meijers

    Neem voor meer informatie over dit onderwerp contact op met Bob Heijne. Bob Heijne is sinds 2013 werkzaam bij FORT als advocaat bij de sectie Faillissementsrecht.