Categorie: Bestuursrecht

  • Sascha Stavenuiter geeft workshop ‘De nieuwe Omgevingswet’

    Sascha Stavenuiter geeft workshop ‘De nieuwe Omgevingswet’

    Sascha Stavenuiter geeft workshop ‘De nieuwe Omgevingswet’

    Datum: 9 december 2021
    Tijd: 15.00 – 17.00 uur
    Locatie: n.t.b. (indien mogelijk bij ons op kantoor)

     

    Al vanaf 2011 wordt in de politiek gesproken over de grootschalige herziening van het omgevingsrecht. Vooralsnog is het de bedoeling dat de wet op 1 juli 2022 in werking treedt. Of die datum daadwerkelijk wordt gehaald, is nog maar zeer de vraag, maar het is belangrijk om ruim voor die tijd voorbereid te zijn. Op 9 december april a.s. geeft Sascha Stavenuiter, partner omgevingsrecht, een workshop van ca. 2 uur over de nieuwe Omgevingswet en de praktische toepassing daarvan voor (ver)bouwen en ontwikkelingen.

    Wilt u deze workshop bijwonen, meldt u zich dan aan via dit e-mailadres.

  • De Omgevingswet; zou ‘ie nu dan echt komen?

    De Omgevingswet; zou ‘ie nu dan echt komen?

    De Omgevingswet; zou ‘ie nu dan echt komen?

    29 januari 2021, door Sascha Stavenuiter

     

    Al vanaf 2011 wordt in de politiek gesproken over de grootschalige herziening van het omgevingsrecht. Het lijkt alweer oneindig lang geleden dat de Tweede Kamer instemde met de nieuwe Omgevingswet (2015). En ook de Eerste Kamer heeft al jaren geleden haar zegen gegeven aan de wet (2016). Toch werken we er nog steeds niet mee. Vooralsnog is het de bedoeling dat de wet op 1 januari 2022 in werking treedt. Of die datum daadwerkelijk wordt gehaald, is nog maar zeer de vraag. Woensdag 13 januari 2021 heeft de Eerste Kamer haar zorgen geuit over de haalbaarheid van die datum en is een debat hierover geschorst in afwachting van de beantwoording van een groot aantal vragen door – inmiddels demissionair – minister Ollongren. Het kan best zijn dat de val van het Kabinet van invloed is op het vervolg van dit traject. Datzelfde geldt natuurlijk voor de komende verkiezingen. Het is nu nog koffiedik kijken. Toch gaan we ervan uit dát de wet op enig moment in werking treedt en mogelijk zelfs op 1 januari 2022. We kunnen eigenlijk niet anders. Als de datum gehaald wordt, moeten we ruim voor die tijd voorbereid zijn.

    Wat houdt die nieuwe wet eigenlijk in en waarom duurt het allemaal zo lang? De Omgevingswet bundelt een groot aantal lokale en regionale regelingen met betrekking tot ruimtelijke ordening en milieu in één nieuw wettelijk stelsel. Het is een van de grootste wettelijke veranderingstrajecten van de afgelopen decennia, aldus de Eerste Kamer. Onder meer het stelsel zoals we dat nu kennen met bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor bouwen e.d. gaat op de schop. Bestemmingsplannen komen niet meer terug. Omgevingsvergunningen wel, maar niet zoals we ze nu kennen.

    Het motto van de nieuwe wet is: ‘ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit’. Een prachtig uitgangspunt! Bundeling van alle regelingen in 1 wet moet de inzichtelijkheid van de regelgeving vergoten en de leefomgeving centraal stellen. Er komt ruimte voor maatwerk en procedures zijn korter.

    De praktijk zal gaan uitwijzen of de ambitieuze doelen van de regering daadwerkelijk kunnen worden waargemaakt met de nieuwe wet. We moeten er in ieder geval rekening mee houden dat er nog veel onduidelijk zal zijn de eerste tijd na inwerkingtreding van de wet. Dat kan een reden zijn om voor die tijd – en misschien dus wel dit jaar nog – aanvragen voor nieuwe ontwikkelingen in te dienen. Niet dat ons huidige stelsel nou uitblinkt in duidelijkheid. Jarenlange ervaring met het stelsel heeft ons alleen wel zicht op de mogelijke knelpunten gegeven. Zeker voor ontwikkelaars van vastgoed is dat toch vaak van groot belang.

    Om voorbereid te zijn op de mogelijke komst van de Omgevingswet, hebben we voorzichtig de datum van donderdag 3 juni a.s. gemarkeerd voor een workshop van ca. 2 uur over de nieuwe Omgevingswet en de praktische toepassing daarvan voor (ver)bouwen en ontwikkelingen. Als we tegen die tijd weer bij elkaar mogen komen, al dan niet in een ruime zaal om de 1,5 meter te kunnen waarborgen, dan hopen we u over dit onderwerp te kunnen bijpraten. Mocht u zich voor deze workshop alvast willen inschrijven, mailt u dan naar: sascha.stavenuiter@actlegal-fort.com.

     

  • Van bestemmingsplan naar omgevingsplan

    Van bestemmingsplan naar omgevingsplan

    In onze vorige blog introduceerden we ‘m al: de Omgevingswet. U weet inmiddels dat deze wet (waarschijnlijk) in 2021 in werking zal treden. Ook weet u dat het bestemmingsplan plaats gaat maken voor het omgevingsplan. Hoe het omgevingsplan eruit gaat zien en wat er voor u als burger of ondernemer gaat veranderen, hebben we echter nog niet uit de doeken gedaan.

    Van bestemmingsplan naar omgevingsplan

    De introductie van het omgevingsplan is ten eerste een ingreep van cosmetische aard. Vanaf 2021 zal per gemeente namelijk nog maar één omgevingsplan worden vastgesteld, waarmee een einde komt aan de huidige lappendekens van geldende bestemmingsplannen. De verwachting – of in ieder geval de hoop – is dat dit de inzichtelijkheid zal bevorderen.

    Maar er zijn ook inhoudelijke verschillen. Zo heeft het omgevingsplan een veel bredere reikwijdte dan het bestemmingsplan. Waar het bestemmingsplan slechts regels bevat met betrekking tot een goede ruimtelijke ordening, kent het omgevingsplan een dergelijke begrenzing niet. Het omgevingsplan beperkt zich dus niet tot louter planologische aspecten, maar omvat alle thema’s die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving in zijn geheel. Zo kan het omgevingsplan ook voorzien in regels over activiteiten met mogelijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Daarnaast kunnen ook regels ten aanzien van duurzaamheid, welstandseisen en veiligheidsvoorschriften worden opgenomen in het omgevingsplan. Tenslotte zullen enkele onderwerpen die nu nog in gemeentelijke verordeningen worden geregeld – zoals regels over monumenten of ligplaatsen voor woonboten – naar het omgevingsplan worden overgeheveld.

    Uitnodigingsplanologie

    Daarnaast moet het omgevingsplan globaler en flexibeler van opzet worden dan het bestemmingsplan, waarbij er meer ruimte moet ontstaan voor initiatieven van burgers en ondernemers. Dit wordt met een chique woord ‘uitnodigingsplanologie’ genoemd. De wetgever wil gemeenten op deze manier bewegen om burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen in een eerder stadium bij de voorbereiding te betrekken dan nu het geval is. Concreet betekent dit dat een gemeente al bij de kennisgeving van het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen, dient aan te geven hoe de participatie vorm zal krijgen en hoe partijen bij de voorbereiding van het omgevingsplan zullen worden betrokken. 

    Hoe deze uitnodigingsplanologie er in de praktijk uit zal komen te zien, zal moeten worden afgewacht. De wetgever heeft er namelijk bewust voor gekozen om niet vast te leggen hoe de burgerparticipatie in een specifiek geval vorm moet krijgen. Op deze manier wil de wetgever voorkomen dat het participatietraject voor gemeenten alleen een ‘afvinklijstje’ wordt, terwijl het juist de bedoeling is om gemeenten met open vizier naar particuliere ideeën te laten kijken. Dit moet voor u als burger of ondernemer leiden tot meer zeggenschap en invloed en hiermee ook meer verantwoordelijkheid over de inrichting van uw eigen leefomgeving.

    2021 wel haalbaar?

    Het is overigens nog maar de vraag of de Omgevingswet wel echt op 1 januari 2021 in werking kan treden. Minister Van Veldhoven heeft eind november de Tweede Kamer ingelicht over de voortgang van het Omgevingswet-traject. In haar kamerbrief schrijft Van Veldhoven dat alle bestuurlijke partners hun vertrouwen hebben uitgesproken dat het ‘haalbaar is om toe te werken naar inwerkingtreding op 1 januari 2021’. De minister kan echter geen garanties geven, want, zo schrijft ze, ‘er moet in het laatste jaar ook nog veel werk worden verricht’. Het aankomende jaar zal dan ook moeten uitwijzen of het uitgesproken vertrouwen bewaarheid wordt.

    In deze blogserie bereiden onze bestuursrechtadvocaten Sascha Stavenuiter en Jasper Poortvliet u voor op de komst van de Omgevingswet en wat dit voor u als burger of ondernemer kan gaan betekenen. Wat gaat er veranderen? Waar moet u rekening mee houden? Waar liggen de mogelijkheden? Houd voor de antwoorden op deze vragen onze blogs in de gaten.

    Hebt u op dit moment al een vraag over de Omgevingswet? Neem dan contact op met onze bestuursrechtadvocaten. Zij helpen u graag!

  • De Omgevingswet: bereid u goed voor!

    De Omgevingswet: bereid u goed voor!

    Op 1 januari 2021 treedt de Omgevingswet in werking. Er gaat met deze nieuwe wet een hoop veranderen binnen het omgevingsrecht. Sterker nog, het hele systeem gaat op de schop. Wilt u weten wat er voor u als burger of ondernemer gaat veranderen? En hoe u zich het best op deze veranderingen kunt voorbereiden? Houd dan deze blogserie over de Omgevingswet in de gaten. Of bezoek één van onze seminars! Een gewaarschuwd mens telt immers voor twee.

    Van wildgroei naar één wet

    De Omgevingswet moet het omgevingsrecht eenvoudiger en inzichtelijker maken. Geen gek idee. Sinds de invoering van de Mijnwet in 1810 zijn er in 200 jaar namelijk tientallen wetten, besluiten en regelingen op het gebied van de leefomgeving bijgekomen. Door deze wildgroei aan regelgeving is het lang niet altijd duidelijk welke wet of procedure nu van toepassing is op een specifiek geval. Om een einde te maken aan deze onduidelijkheid zullen (nagenoeg) alle bestaande wetten op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling worden samengevoegd in één allesomvattende Omgevingswet. Maar er verandert nog meer.

    Van bestemmingsplan naar Omgevingsplan

    Een belangrijk uitgangspunt van de Omgevingswet wordt het principe van ‘decentraal, tenzij’. Dit betekent dat het gros van de taken en bevoegdheden uitgevoerd zal gaan worden door gemeenten, provincies en waterschappen. Zij zullen al hun regels over de leefomgeving moeten onderbrengen in één gebiedsdekkende regeling. De gedachte hierachter is dat decentrale bestuursorganen geschikter zijn om regels op te stellen die toegespitst zijn op de lokale situatie. De rol van het Rijk zal beperkt blijven tot die taken waarbij coördinatie door de centrale overheid vereist is, zoals het opstellen van algemene regels voor de bescherming van rijkswegen of het stellen van vereisten ten aanzien van bouwwerken.

    Voor gemeenten betekent dit dat zij vanaf 2021 hun regels over de leefomgeving moeten onderbrengen in een Omgevingsplan. Per gemeente zal één Omgevingsplan gaan gelden dat van toepassing is op het gehele grondgebied van de gemeente. Het huidige bestemmingsplan – toch een begrip in bestuursrechtland – zal hiermee komen te vervallen.

    Daarnaast moet de Omgevingswet meer ruimte bieden voor particuliere ideeën. De houding van bestuursorganen ten aanzien van initiatieven moet hierbij verschuiven van ‘nee, tenzij’ naar ‘ja, mits’. In het kader van burgervriendelijkheid wordt ook het Omgevingsloket geïntroduceerd. Vanaf 2021 moet alle relevante informatie voor het aanvragen van een omgevingsvergunning via dit digitale loket te raadplegen zijn.

    Blogserie en seminars

    In de door de overheid verstrekte informatie dringen de superlatieven om voorrang: vanaf 2021 zal alles eenvoudiger, beter en efficiënter functioneren. De Omgevingswet kan dan ook eigenlijk alleen maar een succes worden. Hoe verleidelijk het ook is om in al dit enthousiasme mee te gaan, gelet op de omvang van dit project en gelet op eerdere ervaringen – denk aan de invoering van de Wabo – kan het geen kwaad even pas op de plaats te maken en te kijken wat er nu daadwerkelijk gaat veranderen.

    In deze blogserie zullen onze bestuursrechtadvocaten Sascha Stavenuiter en Jasper Poortvliet u de komende maanden voorbereiden op de komst van de Omgevingswet en wat dit voor u als burger of ondernemer kan gaan betekenen. Wat gaat er veranderen? Waar moet u rekening mee houden? Waar liggen de mogelijkheden? Houd onze blogs in de gaten en u krijgt vanzelf de antwoorden.

    Of bezoek een van onze seminars die vanaf dit najaar zullen plaatsvinden in het kader van onze Omgevingswet-tournee. Nadere informatie hierover volgt binnenkort.

    Hebt u op dit moment al een vraag over de Omgevingswet? Neem dan contact op met één van onze bestuursrechtadvocaten. Wij helpen u graag!

  • Uitstel invoering Omgevingswet

    Uitstel invoering Omgevingswet

    De geplande ingangsdatum van de Omgevingswet is verplaatst. Dit heeft demissionair minister van Infrastructuur & Milieu Schultz aangekondigd in een interview met Binnenlands Bestuur.

    Het plan was dat de nieuwe Omgevingswet per 1 juli 2019 in werking zou treden. Deze planning zal dus niet gehaald worden. Minister Schultz doet geen uitspraken over wanneer de wet dan wel zal worden ingevoerd. Wel geeft zij aan dat deze zomer een definitief besluit volgt over de termijn van invoering.

    Het doel van de Omgevingswet

    Het doel van de Omgevingswet is het vereenvoudigen en samenvoegen van de regels voor ruimtelijke ontwikkeling in één wet. De wet moet leiden tot betere mogelijkheden voor integraal beleid, tot een betere bruikbaarheid en substantiële vereenvoudiging van het omgevingsrecht. Plannen en vergunningen worden zo veel mogelijk gebundeld en procedures worden sneller. Met de Omgevingswet wordt – ter vervanging van het huidige bestemmingsplan – een belangrijk nieuw instrument geïntroduceerd waarmee regels worden gesteld: het omgevingsplan. De gemeenteraad is verplicht hierin de regels op te nemen voor de ‘fysieke leefomgeving’.

    De Omgevingswet is het fundament voor de hiervoor genoemde doelen, maar een groot deel van de voordelen zal worden gerealiseerd door het opstellen van de bijbehorende algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen. Het is daarom cruciaal dat de uitvoeringsregelgeving op zorgvuldige wijze tot stand komt en daar is meer tijd voor nodig, aldus minister Schultz. De benodigde complexe juridische aanpassingen zijn de reden voor het uitstel van de invoering. Hiermee doelt minister Schultz op de complexiteit van de ministeriële regelingen en de aanvullingswetten.

    De vraag is in hoeverre het uitstel van de invoering van de Omgevingswet problemen oplevert. Volgens Schultz heeft het uitstel vooralsnog in ieder geval geen gevolgen voor de uiteindelijke einddatum van de transitie in 2029. Vanaf 2029 kan dus niet langer worden teruggegrepen op het oude stelsel. Alle gemeenten moeten vanaf dat moment onder andere een omgevingsvisie hebben vastgesteld en moeten werken met het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO): het Omgevingsloket.

    Het uitstel van de invoering van de Omgevingswet betekent dus niet dat overheden nu achterover kunnen leunen. Overigens is de transitie al in volle gang, met het leren werken met de Omgevingswet en het nieuwe digitale loket. Alle overheden geven aan op schema te lopen met de implementatie.

    Op verschillende plaatsen wordt in de Crisis- en Herstelwet momenteel al bij wijze van experiment vooruitgelopen op de Omgevingswet. Artikel 7c Besluit uitvoering Crisis- en Herstelwet omvat bijvoorbeeld het experiment ‘bestemmingsplan met verbrede reikwijdte’. Het experiment is bedoeld om een ‘omgevingsplanachtig’ bestemmingsplan vast te stellen. Bij vaststelling van zo’n bestemmingsplan mag worden afgeweken van een aantal wetten en besluiten, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, het besluit ruimtelijke ordening, de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder, de Wet milieubeheer en het Activiteitenbesluit milieubeheer. Op deze manier kunnen overheden alvast ‘oefenen’ met de op handen zijnde wet.

    Het is dus nog even afwachten wat de nieuwe datum van invoering van de Omgevingswet zal zijn: in de tussentijd gaat de transitie gewoon door.

    Bekijk hier het interview met minister Schultz.

  • Het relativiteitsbeginsel: roet in de ontwikkeling van de concurrent?

    Het relativiteitsbeginsel: roet in de ontwikkeling van de concurrent?

    Achtergrond relativiteitsbeginsel

    In de praktijk komt het regelmatig voor dat partijen niet blij zijn met de komst van een nieuwe speler op de markt. Dit hebben we de laatste jaren veelvuldig gezien bij bijvoorbeeld nieuwe vestigingen van bouwmarkten en supermarkten. Zodra een supermarkt een nieuwe vestiging op een nieuwe locatie wil openen, wordt tegen de daarvoor benodigde bestemmingsplanwijziging of omgevingsvergunning bezwaar gemaakt dan wel beroep ingesteld door concurrerende supermarkten.

    Ook in andere branches worden plannen van een concurrent soms tegengehouden dan wel vertraagd door het instellen van bestuursrechtelijke procedures tegen de benodigde omgevingsvergunningen of wijzigingen van het bestemmingsplan. Partijen dienen bij dergelijke procedures rekening te houden met het zogenaamde ‘relativiteitsbeginsel’, in dit blog meer hierover.

    In dit blog heb ik het omwille van de leesbaarheid alleen over (bezwaar maken/(hoger) beroep instellen tegen) omgevingsvergunningen. Vaak zal het echter eveneens gaan over het indienen van zienswijzen tegen ontwerp-omgevingsvergunningen dan wel tegen ontwerp-bestemmingsplannen en (hoger) beroep tegen de vastgestelde besluiten.

    Concurrenten als bezwaarmakers

    Mag je als concurrent zomaar de plannen van een ander dwarsbomen door bezwaar te maken tegen een verleende omgevingsvergunning of beroep in te stellen tegen een bestemmingsplanwijziging? Op zichzelf staat deze handelswijze de concurrenten vrij. In het bestuursrecht kan een concurrent als ‘belanghebbende’ aangemerkt worden bij een omgevingsvergunning of bestemmingsplan, zodat daartegen bezwaar kan worden gemaakt en (hoger) beroep worden ingesteld.

    Het moet dan wel gaan om een concurrent die in dezelfde markt en hetzelfde verzorgingsgebied opereert als de partij aan wie de omgevingsvergunning is verleend. Wat als dezelfde markt en hetzelfde verzorgingsgebied heeft te gelden, staat niet op voorhand vast. Een supermarkt in Amsterdam heeft  immers een heel ander verzorgingsgebied dan een supermarkt in een dorpje in Friesland. Dit zal dan ook per geval moeten worden beoordeeld.

    Als je eenmaal bestuursrechtelijk gezien als concurrent wordt aangemerkt, kun je vrij makkelijk roet in het eten van je concurrent strooien. Het indienen van bezwaar en (hoger) beroep is een eenvoudige manier om je concurrentie (een tijdje) buiten spel te zetten.

    Relativiteitsbeginsel

    Er zitten echter wel wat beperkingen aan de mogelijkheden om bezwaar en (hoger) beroep in te stellen. Sinds 1 januari 2013 geldt in het bestuursrecht het zogenaamde ‘relativiteitsbeginsel’. Dit vereiste houdt in dat een bestuursrechter een overheidsbesluit niet mag toetsen aan een norm, die kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van de partij die een beroep doet op die norm.

    Op grond van het relativiteitsbeginsel moet er een verband bestaan tussen de gronden die de concurrent aanvoert en de belangen waarin hij door de ontwikkeling dreigt te worden geschaad. Als een dergelijk verband niet aanwezig is, dan mag de bestuursrechter het overheidsbesluit niet vernietigen vanwege de aangevoerde grond van de concurrent.

    Een voorbeeld: als het bestemmingsplan dat een nieuwe supermarkt mogelijk maakt in strijd is met de regelgeving die te weinig parkeerplaatsen voorschrijft, dan kan de concurrent-supermarkt dit wel aanvoeren als beroepsgrond tegen het bestemmingsplan, maar zal dit niet voor vernietiging daarvan kunnen zorgen. De concurrerende supermarkt heeft er immers zelf geen belang bij dat er voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Dit is slechts anders als de supermarkt zo dichtbij de concurrent is gelegen dat hij zelf last zal ondervinden van het tekort aan parkeerplaatsen, bijvoorbeeld als door het parkeertekort de straten rondom de supermarkt zelf vol worden geparkeerd.

    De concurrent moet derhalve wel zelf in een belang worden geschaad om bij de rechter uiteindelijk een vernietiging van het overheidsbesluit ten behoeve van de ontwikkeling van de concurrent te kunnen bewerkstelligen.

    Uitspraak van 16 maart 2016

    Op woensdag 16 maart 2016 heeft de hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), uitspraak gedaan in een zaak over een nieuwe vestiging van Hornbach in Zwolle. Met het oog op die nieuwe vestiging heeft de gemeenteraad van de gemeente Zwolle het bestemmingsplan ‘Blaloweg en Katwolderweg (voormalig Shell-terrein en omgeving)’ vastgesteld.

    Tegen dit besluit hebben twee concurrerende bouwmarkten en omwonenden beroep ingesteld. Een van die bouwmarkten stelt dat het besluit onder meer in strijd is met regelgeving op het gebied van milieu en veiligheid, omdat  de bouwmarkt deels kan worden ontwikkeld vlakbij een vestiging van Argos Oil. Volgens de gemeenteraad  van Zwolle strekken deze normen op het gebied van milieu en veiligheid niet tot bescherming van de concurrentiebelangen van de bouwmarkt, zodat het besluit niet op die gronden kan worden vernietigd vanwege het relativiteitsbeginsel.

    In de uitspraak van afgelopen woensdag geeft de Afdeling nu aan dat de toepassing van het relativiteitsvereiste gecorrigeerd moet worden bij een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. In zo’n geval kan een concurrent bereiken dat de rechter toch beoordeelt of een norm is geschonden terwijl die norm niet geschreven is om zijn belangen te beschermen. Deze correctie op het relativiteitsvereiste in het bestuursrecht is geïnspireerd op de zogenoemde correctie Langemeijer die in het civiele recht al langer bestaat.

    Wil zo’n beroep kunnen slagen, dan moet wel aan bepaalde vereisten worden voldaan. In dit geval heeft de bouwmarkt niet aannemelijk gemaakt dat bij haar concrete verwachtingen zijn gewekt dat zij zou worden beschermd door de normen waarop zij een beroep doet. De enkele stelling dat zij mocht verwachten dat de overheid in overeenstemming handelt met de geldende normen is daarvoor niet genoeg. Ook heeft de bouwmarkt niet gesteld dat zij in vergelijkbare gevallen aan normen moet voldoen die vergelijkbaar zijn aan de normen waarop zij in deze procedure een beroep doet.

    Daarom kan de bouwmarkt geen geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Als gevolg hiervan heeft de Afdeling niet beoordeeld of de normen die de belangen van de bouwmarkt niet beschermen, in deze zaak geschonden zijn. Het beroep van de bouwmarkt faalt. Het bestemmingsplan dat de Hornbach mogelijk maakt, blijft dan ook in stand.

    Conclusie

    Concurrenten hebben de afgelopen jaren flink tegen elkaars omgevingsvergunningen en bestemmingsplannen geprocedeerd. Het relativiteitsbeginsel dat per 1 januari 2013 in het leven is geroepen, heeft de mogelijkheden daartoe wel beperkt. Helemaal uitgekristalliseerd is één en ander nog niet, maar er lijkt nu toch weer wat ruimte te zijn voor concurrenten. Het zal evenwel niet makkelijk worden om aan de voorwaarden te kunnen voldoen om het relativiteitsbeginsel aan de kant te zetten. Ik ben benieuwd hoe deze nieuwe lijn van de Afdeling de komende tijd zal uitwerken.

  • Bedrijfsruimte huren en de onderzoeksplicht bestemmingsplan

    Bedrijfsruimte huren en de onderzoeksplicht bestemmingsplan

    Bedrijfsruimte huren: onderzoek of het bestemmingsplan uw activiteiten toelaat

    Het is geen prettig scenario voor de huurder of (afhankelijk van de gemaakte afspraken) voor de verhuurder: na het aangaan van de huurovereenkomst blijkt dat het bestemmingsplan het overeengekomen gebruik van het gehuurde niet toestaat. Als de huurder dit niet aan de verhuurder kan tegenwerpen (en dus niet kan ontbinden en/of geen recht heeft op huurprijsvermindering of schadevergoeding), bijvoorbeeld omdat de huurder zelf onderzoek naar het bestemmingsplan had moeten doen, kan dit een flinke financiële strop voor hem betekenen. De huurder is dan immers – vaak minimaal vijf jaar –  aan de huurovereenkomst gebonden terwijl het gehuurde niet, in ieder geval niet volgens de overeengekomen bestemming, kan worden geëxploiteerd.

    Omgekeerd kan dit, wanneer de huurder de onmogelijkheid van het overeengekomen gebruik wel aan de verhuurder kan tegenwerpen, leiden tot een verplichting van de verhuurder om de (vaak aanzienlijke) schade van de huurder te vergoeden.

    Een recent arrest van de Hoge Raad (van 27 november 2015) leert echter dat de huurder de verhuurder niet snel kan verwijten dat het overeengekomen gebruik op grond van het bestemmingsplan niet mogelijk is. Op de huurder rust wat dit betreft een verregaande onderzoeksplicht, zo oordeelt de Hoge Raad.

    Casus onderzoeksplicht gebruiksmogelijkheden op grond van bestemmingsplan

    Inbev was hoofdhuurder van een bedrijfsruimte in Nijmegen en verhuurde deze onder. Vanaf 2005 werd door de toenmalige onderhuurder een discotheek in het gehuurde geëxploiteerd en voor die tijd een loungebar. In 2005 is een nieuwe partij als onderhuurder in de plaats gesteld. De contractuele bestemming, op grond van de onderhuurovereenkomst, was ‘horecabedrijfsruimte’. Daarnaast waren de algemene bepalingen van de ROZ voor 290 bedrijfsruimte uit 2003 van toepassing. Volgens artikel  6.8.2 van die algemene bepalingen moet de onderhuurder zelf onderzoeken of het gehuurde geschikt is voor de contractuele bestemming. Dit komt neer op een contractuele onderzoeksplicht van de onderhuurder.

    De nieuwe onderhuurder (hierna: ‘de onderhuurder’) wilde een Italiaans restaurant beginnen en is het  gehuurde daartoe in het najaar van 2006 gaan verbouwen. Al snel werd door de gemeente een bouwstop opgelegd, wegens het ontbreken van een omgevingsvergunning. In januari 2007 liet de gemeente weten dat in het gehuurde op grond van het bestemmingsplan slechts  horeca was toegestaan als die horeca bij een casino hoort  (een Italiaans restaurant behoorde niet tot die categorie). In beginsel stond dit in de weg aan het verkrijgen van een omgevingsvergunning.  Wel was in 2003 een vrijstelling verleend, waardoor het gehuurde als loungebar en als discotheek kon worden gebruikt. Waarschijnlijk hadden zowel Inbev als de onderhuurder er daardoor niet bij stilgestaan dat het nuttig kon zijn om het bestemmingsplan te checken. De gemeente liet weten dat zij opnieuw bereid was een vrijstelling te verlenen. Omdat er daarmee concreet zicht was op legalisatie, was de gemeente bereid om de verbouwingswerkzaamheden in de tussentijd te gedogen.

    Uitspraak Hoge Raad: onderzoeksplicht voor huurder met of zonder ROZ bepalingen

    Ondanks deze welwillende opstelling van de gemeente leed de onderhuurder als gevolg van de bouwstop schade. Daarvoor heeft hij Inbev aansprakelijk gesteld en hij heeft de huurbetalingen opgeschort. Enige tijd later heeft de onderhuurder de huurovereenkomst buitengerechtelijk vernietigd op grond van dwaling.

    Het hof gaf de onderhuurder gelijk.  Het vond dat Inbev als grote professionele speler op de Nederlandse horecamarkt, en hoofdhuurder van het gehuurde, de precieze bestemming daarvan had moeten kennen en de onderhuurder had moeten informeren over de mogelijk problemen die hij vanuit de gemeente zou kunnen ondervinden. Het hof neemt hier dus voor de (grote professionele) verhuurder een onderzoeksplicht en een mededelingsplicht aan met betrekking tot de gebruiks(on)mogelijkheden op grond van het bestemmingsplan.

    De Hoge Raad oordeelt anders. Van dwaling is geen sprake omdat: [blockquote]In zijn algemeenheid mag een huurder van bedrijfsruimte niet ervan uitgaan dat met het oog op zijn belang door de professionele verhuurder bij de gemeente is nagegaan of eventuele verbouwingsplannen mogelijk problemen in verband met het bestemmingsplan opleveren.[/blockquote]

    De Hoge Raad neemt voor de professionele verhuurder dus niet (per definitie) een onderzoeksplicht aan. Natuurlijk moet de verhuurder wel meedelen wat hij weet, maar de huurder heeft zelf een onderzoeksplicht met betrekking tot de gebruiksmogelijkheden op grond van het bestemmingsplan. Dit ongeacht de inhoud van de huurovereenkomst, zo lijkt uit het arrest te volgen. De Hoge Raad refereert nog wel aan de in artikel 6.8.2 van de algemene bepalingen neergelegde onderzoeksplicht van de onderhuurder, maar deze bepaling lijkt niet beslissend voor het oordeel.

    Leerpunten: onderzoeksplicht gebruiksmogelijkheden op grond van bestemmingsplan

    Dit arrest leert huurders dus de belangrijke les om, ongeacht de vraag of een contractuele onderzoeksplicht voor de huurder is overeengekomen, een gedegen onderzoek te doen naar de gebruiksmogelijkheden op grond van het bestemmingsplan. Als dat wordt nagelaten, kan dat de huurder letterlijk erg duur komen te staan. Voor verhuurders blijft het natuurlijk steeds aan te raden om een contractuele onderzoeksplicht voor de huurder overeen te komen.

  • Waarom de publicatie van vergunningen bijhouden?

    Waarom de publicatie van vergunningen bijhouden?

    Het is van belang dat u de publicaties van (voornemens tot) besluiten goed bijhoudt. Zo kan het zijn dat de gemeente een vergunning verleent om de mooie boom aan de straat voor uw huis te kappen of een vergunning aan het café op de hoek van de straat om het terras uit te breiden. Als u bezwaar wilt maken dan moet dat binnen de termijn: 6 weken na bekendmaking van de vergunning. Daarom is het verstandig om de gemeentelijke publicaties goed in de gaten te houden zodat u tijdig bezwaar kan maken.

    Hoe publicatie van vergunningen bijhouden?

    Publicaties bijhouden kan op een aantal manieren.

    Vele gemeenten publiceren nog altijd een papieren versie, die aan huis wordt bezorgd. Daarin worden alle (voornemens tot) besluiten van de  gemeente (en soms ook van andere bestuursorganen) gepubliceerd.

    Maar let op:  Veel gemeenten maken de overstap van een papierenversie van het publicatieblad naar een digitale versie. Zo heeft de gemeente Amsterdam onlangs aangegeven dat per 1 januari 2015 de Verordening elektronische kennisgeving en bekendmaking in werking is getreden. Officiële bekendmakingen van de gemeente Amsterdam worden niet langer in het papieren gemeenteblad, Stadsblad de Echo of andere huis-aan-huisbladen gepubliceerd maar op www.amsterdam.nl/bekendmakingen.

    Op de website www.overheid.nl is het mogelijk om een e-mail alert in te stellen voor aangevraagde en verleende vergunningen of wijzigingen in de bestemmingsplannen binnen een bepaalde straal rondom uw woning.

    Op www.officielebekendmakingen.nl kunt u gepubliceerde officiële bekendmakingen uit de Staatscourant, het Staatsblad en het Tractatenblad plus het gemeenteblad, provinciaal blad, waterschapsblad en blad gemeentelijke regeling van deelnemende overheden terugvinden.

    Niet eens met een (voornemen) tot een besluit?

    Leest u in het gemeentelijk publicatieblad of digitaal dat er een (voornemen) tot een besluit is waar u het niet mee eens bent, dan kunt u hiertegen bezwaar maken/ een zienswijze indienen. Wij zijn u daar graag bij van dienst.

  • Geen boete bij ontbreken energielabel

    Per 1 juli 2015 wel een boete bij ontbreken energielabel

    De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) kan per 1 juli 2015 een bestuurlijke boete opleggen bij het niet naleven van de energielabelplicht. Op 16 juni 2015 (gepubliceerd op 19 juni 2015.) is het besluit met betrekking tot de inwerkingtreding genomen.

    Artikel 120b van de Woningwet wijzigt en maakt het per 1 juli 2015 mogelijk om naast een last onder dwangsom nu ook een bestuurlijke boete op te leggen.

    De informatie in dit blog moet u lezen als achtergrond informatie van het traject rondom de boete en last onder dwangsom die bij het ontbreken van een energielabel opgelegd kan worden.

    Geen boete bij ontbreken energielabel

    Bij de verkoop, verhuur of oplevering van een gebouw, woon- of bedrijfsruimte, moet volgens het Besluit energieprestatie een energielabel beschikbaar gesteld worden. De Nederlandse overheid communiceert dit in een brede media campagne. Hier wordt geschermd met een mogelijke boete bij onder andere het niet beschikbaar stellen van een energielabel. Deze boete is echter wettelijk nog niet mogelijk (per 1 juli 2015 is deze boete wel mogelijk, red.).

    Achtergrond energielabel

    Volgens Europese regelgeving moet een sanctie worden opgelegd als aan de verplichting tot het beschikbaar stellen van een energielabel niet wordt voldaan.

    De Europese Commissie heeft Nederland al in 2011 en in 2012 op de vingers getikt in verband met het ontbreken van een sanctie.

    Daarom is per 1 januari 2015 het Besluit energieprestatie gebouwen gewijzigd. Om te voorzien in een sanctie zou tegelijkertijd de Woningwet worden aangepast en de bestuurlijke boete worden geïntroduceerd voor gevallen waarin het energielabel ontbreekt.

    Geen boete wel een dwangsom bij ontbreken energielabel

    Gebleken is dat de bestuurlijk boete nog niet in de Woningwet is opgenomen (per 1 juli 2015 is deze boete wel opgenomen, red.). Nederland voldoet daarmee kort gezegd dus nog steeds niet aan de Europese regelgeving die een sanctie eist bij het niet beschikbaar stellen van een energielabel.

    Toch laat de Rijksoverheid in haar berichtgeving weten dat het opleggen van een boete al mogelijk is. Navraag leerde dat in de communicatie met betrekking tot de sanctie het woord “boete” moet worden gelezen als “last onder dwangsom”.

    Het verschil tussen een boete en een last onder dwangsom is in deze context dat een boete per definitie voldaan moet worden, deze voel je direct in je portemonnee. Onder een last onder dwangsom is nog uit te komen door alsnog een energielabel beschikbaar te stellen.

    Feit is dat de mogelijkheid tot het opleggen van een last onder dwangsom al in 2007 was opgenomen in de Woningwet. Zelfs nog voor inwerkingtreding van het Besluit energieprestatie gebouwen. Die mogelijkheid bestond dus ook al toen Nederland een tik op de vingers kreeg wegens het ontbreken van een sanctie.

    Conclusie energielabel

    Volgens de letter van de Europese regelgeving voldoet Nederland nog steeds niet aan de Europese richtlijnen en loopt dus het risico om nogmaals hier op aangesproken te worden.

    Het hiaat in de wet creëert ook een ander potentieel probleem voor de overheid. Verkopers en verhuurders kunnen de gok wagen om te verkopen of verhuren zonder energielabel beschikbaar te stellen omdat zij hiermee “slechts” een last onder dwangsom riskeren en niet direct een boete. Dat geldt overigens zolang de bestuurlijke boete nog niet in de Woningwet is opgenomen. De Rijksoverheid heeft gezegd die wet nu snel te zullen aanpassen.

     

  • Rechtsbijstandverzekerde mag eigen advocaat kiezen!

    Het komt vaak voor dat particulieren en bedrijven met een rechtsbijstandverzekering toch voor een advocaat willen kiezen van wie zij via via de (goede) naam hebben gehoord. Zij willen dan dat hun rechtsbijstandverzekeraar de rekening van die advocaat betaalt.

    Tot voor kort was het zo dat in ieder geval in die gevallen waarin voor de behandeling van een geschil geen advocaat hoeft te worden ingeschakeld (vooral procedures bij de kantonrechter en de bestuursrechter) de rechtsbijstandverzekeraar op grond van de polisvoorwaarden de verzekerde geen toestemming gaf een advocaat in te schakelen. De verzekerde kon in zo’n geval slechts kiezen voor bijstand van een medewerker van de rechtsbijstandverzekeraar zelf, bij gebreke waarvan hij de gekozen advocaat zelf moest betalen.

    Op 21 februari 2014 heeft de Hoge Raad (naar aanleiding van een prejudiciële vraag aan het Europese Hof van Justitie) in een baanbrekende uitspraak geoordeeld dat een bepaalde Europese richtlijn zich er tegen verzet dat een rechtsbijstandverzekeraar niet bereid is de kosten van een door een verzekerde zelf uitgekozen advocaat te betalen. Daarbij maakt het (aldus de betreffende uitspraak) dus niet uit of het gaat om het behandelen van een zaak waarvoor geen advocaat nodig is.

    Inmiddels heeft de betrokken rechtsbijstandverzekeraar (DAS) haar polisvoorwaarden wel aangepast en de verwachting is dat andere verzekeraars daarin zullen volgen. Daarbij gaat het voornamelijk over de invoering van een eigen risico en een maximale vergoeding van de advocaatkosten per rechtsgebied. Op die wijze proberen de rechtsbijstandverzekeraars naar eigen zeggen een substantiële stijging van de verzekeringspremie te voorkomen.

    Bedrijven en particulieren met een rechtsbijstandverzekering dienen zich in ieder geval goed te realiseren dat hun polis er niet aan in de weg staat dat zij zelf een advocaat kiezen en de daarmee gemoeide kosten (in ieder geval voor een belangrijk deel) door de verzekeraar betaald zullen moeten worden.

    Marco Meijer is auteur van dit blog.